Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2026-01-19
ECLI:NL:OGAACMB:2026:25
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,198 tokens
Volledig
ECLI:NL:OGAACMB:2026:25 text/xml public 2026-04-29T16:41:28 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-01-19 AUA202501228 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Ambtenarenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2026:25 text/html public 2026-04-29T16:40:21 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGAACMB:2026:25 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 19-01-2026 / AUA202501228 Rechtspositie rechttrekken Uitspraak van 19 januari 2026 Gaza nr. AUA202501228 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar in de zin van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Klager], wonend in Aruba, KLAGER, gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee, gericht tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ). INLEIDING 1.1 In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klager gericht tegen de beschikking van 6 maart 2025 (de bestreden beschikking). Klager heeft het bezwaar op 24 april 2025 bij het gerecht ingediend en de gronden daarvan op 1 juli 2025 aangevuld. 1.2 Verweerder heeft op 3 oktober 2025 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. 1.3 Op 17 oktober 2025 heeft verweerder een contramemorie ingediend. 1.4 Het gerecht heeft het bezwaar behandeld ter zitting van 3 november 2025. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd. 1.5 De uitspraak is nader bepaald op heden. BEOORDELING 2. Het gerecht is van oordeel dat het bezwaar van klager ongegrond dient te worden verklaard. Hierna wordt dit oordeel toegelicht. Wat is relevant om te weten? 3.1 Klager is ambtenaar en is met ingang van 1 januari 2001 bevorderd naar de rang van commies (schaal 8) bij SETAR. Klager fungeerde toen als leidinggevende van de afdeling Setarnet. SETAR is in 2003 verzelfstandigd. Na de verzelfstandiging is klager in overheidsdienst gebleven, zonder dat hij formeel bij een andere overheidsdienst in een (passende) functie is geplaatst. 3.2 Klager is in de periode van 1 november 2001 tot 1 november 2009 werkzaam geweest bij het Bureau van de toenmalige Minister van Algemene Zaken, als beleidsmedewerker c.q. raadsadviseur. 3.3 Bij brief van 10 augustus 2009 heeft de toenmalige Minister van Algemene Zaken klager naar aanleiding van een door klager gedane verzoek om bevordering – voor zover hier relevant – geïnformeerd dat: klagers verzoek voor bevordering per 1 januari 1996 naar schaal 7, per 1 januari 1998 naar 8 en per 1 januari 2000 naar 9 wordt afgewezen; klager, ter vastlegging van zijn rechtspositie, per 1 januari 2005 dient te worden benoemd bij een andere dienst of directie onder gelijktijdige terbeschikkingstelling van het bureau van de Minister van Algemene Zaken; klager eventueel in aanmerking kan komen oor een bevordering naar schaal 9 per 1 januari 2005 indien hij aan alle benoemings- en bevorderingscriteria voldoet. 3.4 Klager heeft bij brief van 17 augustus 2009 verzocht om per 1 januari 2005 bevorderd te worden naar de rang van commies 1ste klasse (schaal 9), per 1 januari 2007 naar de rang van hoofdcommies (schaal 10), en per 1 januari 2009 naar de rang van hoofdcommies 1ste klasse (schaal 11). 3.5 De ministerraad heeft bij besluit van 20 oktober 2009 besloten om klager met ingang van 1 november 2009 over te plaatsen naar het Bureau Rampenbestrijding. Deze beslissing is echter nimmer bij landsbesluit geformaliseerd, noch is daaraan feitelijk uitvoering gegeven. Sindsdien is klager non-actief geweest. 3.6 Klager heeft, na voornoemde periode van non-activiteit, vanaf 11 november 2019 tot 1 januari 2020 bij het Openbaar Ministerie gewerkt in de functie van allround administratief medewerker. 3.7 Met ingang van 1 januari 2020 is klager overgeplaatst naar Directie Cultuur Aruba en per dezelfde datum ter beschikking gesteld van het Museum Cas Tan Tin voor de duur van een jaar. Deze beslissingen zijn vastgesteld bij landsbesluit van 16 november 2020, respectievelijk bij ministeriële beschikking van 7 december 2020. 3.8 Bij brief van 28 september 2020 heeft klager verweerder verzocht om bevordering, dan wel om rechttrekking van zijn rechtspositie over de periode van 2001 tot en met 2009, zoals hij eerder had verzocht bij brief van 17 augustus 2009. Bij brief van 11 april 2022 heeft klager dit verzoek gerappelleerd. 3.9 Bij brief van eveneens 11 april 2022 verzoekt klager om met ingang van 1 januari 2021 te worden bevorderd naar schaal 13 op grond van het beleid inzake versnelde carrièrelijn. 3.10 Per juli 2022 is klager weer op non-actief gesteld. 3.11 Bij landsbesluit van 25 september 2024 is klager met ingang van 1 juli 2023 overgeplaatst van de overtolligheidspool naar het Departamento Transporte Publico (DTP). 3.12 Bij de bestreden beschikking heeft verweerder het bevorderingsverzoek van klager afgewezen, omdat klager niet voldoet aan de vereisten voor bevordering voor de door hem verzochte bevordering. 3.13 Het bezwaar van klager richt zich hiertegen. Waarom kan klager zich niet verenigen met de bestreden beschikking? 4. Klager kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking. Daartoe voert hij aan dat de functie van raadsadviseur wel degelijk een vaste functie betreft, waaraan bovendien een rang is verbonden. Deze functie is ondergebracht bij het Bureau van de Minister van Algemene Zaken en is gewaardeerd op schaal 16. Klager stelt dat hij, gelet op de periode van acht jaar waarin hij bij dit bureau werkzaam is geweest, aanspraak maakt op bevordering gedurende die periode. Naar zijn mening is dit aspect in de bestreden beschikking onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Daarnaast doet klager een beroep op het gelijkheidsbeginsel, en verwijst hij naar andere ambtenaren die eveneens in de functie van raadsadviseur waren benoemd en daarbij in schaal 16 waren bezoldigd. Voorts voert klager aan dat het onjuist is dat hij sinds 2005 non-actief zou zijn geweest; hij is vanaf 1 november 2001 tot 1 november 2009 ter beschikking geweest van het Bureau van de Minister van Algemene Zaken. Tot slot stelt klager dat de bestreden beschikking in strijd is met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Wat is het standpunt van verweerder? 5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat klager niet voldoet aan de vereisten voor bevordering. In de periode waarin klager ter beschikking was gesteld aan het Bureau van de minister van Algemene Zaken, kon hij niet worden bevorderd, aangezien hij niet formeel bij een dienst was geplaatst. De functie van raadsadviseur is volgens verweerder noch een formeel bestaande functie, noch een rang. Uit een functie-inventarisatieformulier uit 2009 blijkt dat klager coördinatiewerkzaamheden verrichtte en in het bezit was van een movaa-diploma. Klager beschikt echter niet over een hbo- of wo-diploma, hetgeen vereist is om formeel in een beleidsfunctie te worden geplaatst. De periode waarin klager werkzaam was als president-commissaris van de Raad van Bestuur van Tele Aruba N.V. kan volgens verweerder niet worden aangemerkt als overheidsdienst, zodat over deze periode geen aanspraak op bevordering bestaat. Commissarissen ontvangen immers een andere vorm van beloning dan ambtenaren. Voorts was klager in de periode van 2005 tot en met 2009 non-actief; beoordeling dan wel bevordering over deze periode is derhalve uitgesloten. Wat staat in de wet? 6.1 Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen. 6.2 Op grond van artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (de BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht (het gunstige beoordelingsvereiste).
Volledig
ECLI:NL:OGAACMB:2026:25 text/xml public 2026-04-29T16:41:28 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-01-19 AUA202501228 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Ambtenarenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2026:25 text/html public 2026-04-29T16:40:21 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGAACMB:2026:25 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 19-01-2026 / AUA202501228 Rechtspositie rechttrekken Uitspraak van 19 januari 2026 Gaza nr. AUA202501228 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar in de zin van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Klager], wonend in Aruba, KLAGER, gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee, gericht tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ). INLEIDING 1.1 In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klager gericht tegen de beschikking van 6 maart 2025 (de bestreden beschikking). Klager heeft het bezwaar op 24 april 2025 bij het gerecht ingediend en de gronden daarvan op 1 juli 2025 aangevuld. 1.2 Verweerder heeft op 3 oktober 2025 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. 1.3 Op 17 oktober 2025 heeft verweerder een contramemorie ingediend. 1.4 Het gerecht heeft het bezwaar behandeld ter zitting van 3 november 2025. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd. 1.5 De uitspraak is nader bepaald op heden. BEOORDELING 2. Het gerecht is van oordeel dat het bezwaar van klager ongegrond dient te worden verklaard. Hierna wordt dit oordeel toegelicht. Wat is relevant om te weten? 3.1 Klager is ambtenaar en is met ingang van 1 januari 2001 bevorderd naar de rang van commies (schaal 8) bij SETAR. Klager fungeerde toen als leidinggevende van de afdeling Setarnet. SETAR is in 2003 verzelfstandigd. Na de verzelfstandiging is klager in overheidsdienst gebleven, zonder dat hij formeel bij een andere overheidsdienst in een (passende) functie is geplaatst. 3.2 Klager is in de periode van 1 november 2001 tot 1 november 2009 werkzaam geweest bij het Bureau van de toenmalige Minister van Algemene Zaken, als beleidsmedewerker c.q. raadsadviseur. 3.3 Bij brief van 10 augustus 2009 heeft de toenmalige Minister van Algemene Zaken klager naar aanleiding van een door klager gedane verzoek om bevordering – voor zover hier relevant – geïnformeerd dat: klagers verzoek voor bevordering per 1 januari 1996 naar schaal 7, per 1 januari 1998 naar 8 en per 1 januari 2000 naar 9 wordt afgewezen; klager, ter vastlegging van zijn rechtspositie, per 1 januari 2005 dient te worden benoemd bij een andere dienst of directie onder gelijktijdige terbeschikkingstelling van het bureau van de Minister van Algemene Zaken; klager eventueel in aanmerking kan komen oor een bevordering naar schaal 9 per 1 januari 2005 indien hij aan alle benoemings- en bevorderingscriteria voldoet. 3.4 Klager heeft bij brief van 17 augustus 2009 verzocht om per 1 januari 2005 bevorderd te worden naar de rang van commies 1ste klasse (schaal 9), per 1 januari 2007 naar de rang van hoofdcommies (schaal 10), en per 1 januari 2009 naar de rang van hoofdcommies 1ste klasse (schaal 11). 3.5 De ministerraad heeft bij besluit van 20 oktober 2009 besloten om klager met ingang van 1 november 2009 over te plaatsen naar het Bureau Rampenbestrijding. Deze beslissing is echter nimmer bij landsbesluit geformaliseerd, noch is daaraan feitelijk uitvoering gegeven. Sindsdien is klager non-actief geweest. 3.6 Klager heeft, na voornoemde periode van non-activiteit, vanaf 11 november 2019 tot 1 januari 2020 bij het Openbaar Ministerie gewerkt in de functie van allround administratief medewerker. 3.7 Met ingang van 1 januari 2020 is klager overgeplaatst naar Directie Cultuur Aruba en per dezelfde datum ter beschikking gesteld van het Museum Cas Tan Tin voor de duur van een jaar. Deze beslissingen zijn vastgesteld bij landsbesluit van 16 november 2020, respectievelijk bij ministeriële beschikking van 7 december 2020. 3.8 Bij brief van 28 september 2020 heeft klager verweerder verzocht om bevordering, dan wel om rechttrekking van zijn rechtspositie over de periode van 2001 tot en met 2009, zoals hij eerder had verzocht bij brief van 17 augustus 2009. Bij brief van 11 april 2022 heeft klager dit verzoek gerappelleerd. 3.9 Bij brief van eveneens 11 april 2022 verzoekt klager om met ingang van 1 januari 2021 te worden bevorderd naar schaal 13 op grond van het beleid inzake versnelde carrièrelijn. 3.10 Per juli 2022 is klager weer op non-actief gesteld. 3.11 Bij landsbesluit van 25 september 2024 is klager met ingang van 1 juli 2023 overgeplaatst van de overtolligheidspool naar het Departamento Transporte Publico (DTP). 3.12 Bij de bestreden beschikking heeft verweerder het bevorderingsverzoek van klager afgewezen, omdat klager niet voldoet aan de vereisten voor bevordering voor de door hem verzochte bevordering. 3.13 Het bezwaar van klager richt zich hiertegen. Waarom kan klager zich niet verenigen met de bestreden beschikking? 4. Klager kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking. Daartoe voert hij aan dat de functie van raadsadviseur wel degelijk een vaste functie betreft, waaraan bovendien een rang is verbonden. Deze functie is ondergebracht bij het Bureau van de Minister van Algemene Zaken en is gewaardeerd op schaal 16. Klager stelt dat hij, gelet op de periode van acht jaar waarin hij bij dit bureau werkzaam is geweest, aanspraak maakt op bevordering gedurende die periode. Naar zijn mening is dit aspect in de bestreden beschikking onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Daarnaast doet klager een beroep op het gelijkheidsbeginsel, en verwijst hij naar andere ambtenaren die eveneens in de functie van raadsadviseur waren benoemd en daarbij in schaal 16 waren bezoldigd. Voorts voert klager aan dat het onjuist is dat hij sinds 2005 non-actief zou zijn geweest; hij is vanaf 1 november 2001 tot 1 november 2009 ter beschikking geweest van het Bureau van de Minister van Algemene Zaken. Tot slot stelt klager dat de bestreden beschikking in strijd is met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Wat is het standpunt van verweerder? 5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat klager niet voldoet aan de vereisten voor bevordering. In de periode waarin klager ter beschikking was gesteld aan het Bureau van de minister van Algemene Zaken, kon hij niet worden bevorderd, aangezien hij niet formeel bij een dienst was geplaatst. De functie van raadsadviseur is volgens verweerder noch een formeel bestaande functie, noch een rang. Uit een functie-inventarisatieformulier uit 2009 blijkt dat klager coördinatiewerkzaamheden verrichtte en in het bezit was van een movaa-diploma. Klager beschikt echter niet over een hbo- of wo-diploma, hetgeen vereist is om formeel in een beleidsfunctie te worden geplaatst. De periode waarin klager werkzaam was als president-commissaris van de Raad van Bestuur van Tele Aruba N.V. kan volgens verweerder niet worden aangemerkt als overheidsdienst, zodat over deze periode geen aanspraak op bevordering bestaat. Commissarissen ontvangen immers een andere vorm van beloning dan ambtenaren. Voorts was klager in de periode van 2005 tot en met 2009 non-actief; beoordeling dan wel bevordering over deze periode is derhalve uitgesloten. Wat staat in de wet? 6.1 Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen. 6.2 Op grond van artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (de BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht (het gunstige beoordelingsvereiste).
Volledig
Wat vindt het gerecht? 7.1 Het gerecht stelt voorop dat bevordering geen recht van de betrokken ambtenaar is noch een automatisme, doch een discretionaire bevoegdheid van het bevoegde gezag. Aan die bevoegdheid kan toepassing worden gegeven indien en voor zover de betrokken ambtenaar voldoet aan de te stellen eisen voor bevordering (opleiding, functiezwaarte, beoordeling omtrent het functioneren, dienstanciënniteit, en plaats van de functie in de organisatie). Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 7.2 In geschil is de vraag of verweerder klagers rechtspositie had moeten rechttrekken door hem in de periode van 2001 tot en met 2009 te bevorderen naar de schalen 9, 10 en 11, en hem met ingang van 1 januari 2021 – met toepassing van het beleid inzake de versnelde carrièrelijn – te bevorderen naar schaal 13. Het gerecht overweegt als volgt. 7.3.1 Het gerecht stelt voorop dat in deze procedure voldoende is komen vast te staan dat klager in de periode van 1 november 2001 tot 1 november 2009 feitelijk als raadsadviseur heeft gefungeerd bij het Bureau van de toenmalige Minister van Algemene Zaken en belast was met beleidsadviserende en coördinerende werkzaamheden. Dit blijkt uit de brief van 8 oktober 2009 van de chef van het bureau van voornoemde minister, alsmede uit het functie-inventarisatieformulier van 25 augustus 2009, ondertekend door die minister (productie 5 bij de contramemorie). Het gerecht is dan ook van oordeel dat de vermelding in de bestreden beschikking dat klager sinds 2005 non-actief was, onjuist is. 7.3.2 Deze omissie brengt echter niet met zich dat de bestreden beschikking reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Om voor bevordering in aanmerking te komen, dient klager immers te voldoen aan de daarvoor geldende bevorderingseisen. Klager wenst per 1 januari 2005 te worden bevorderd naar de rang van commies 1ste klasse (schaal 9). Niet is gebleken dat klager gedurende de daaraan voorafgaande periode een functie heeft bekleed die, gelet op de functiezwaarte, een bevordering naar schaal 9 rechtvaardigt. Zijn voormalige functie bij SETAR is immers in 2003 wegens verzelfstandiging komen te vervallen, zonder dat klager nadien bij een andere dienst in een passende of gelijkwaardige functie is geplaatst. Klager is met andere woorden vanaf 2003 en gedurende de resterende terbeschikkingstelling ‘blijven zweven’. Weliswaar heeft klager in die periode feitelijk werkzaamheden verricht als raadsadviseur bij het Bureau van de toenmalige Minister van Algemene Zaken, maar deze functie kent geen formele grondslag. De term ‘raadsadviseur’ wordt gebruikt ter aanduiding van personeel dat werkzaam is voor het kabinet en belast is met beleidsmatige aangelegenheden, maar is niet als formele functie vastgesteld. Het in dit verband gedane beroep van klager op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, reeds omdat niet is gesteld of gebleken van gelijke gevallen die gelijk behandeld hadden moeten worden. Zelfs indien dit anders zou zijn geweest en de functiezwaarte had kunnen worden vastgesteld, is niet gebleken dat klager gedurende de voornoemde periode door de toenmalige Minister van Algemene Zaken op zijn prestaties is beoordeeld. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat klager heeft voldaan aan het vereiste van een gunstige beoordeling. Niet is gebleken dat klager in de genoemde periode actie heeft ondernomen om alsnog bij een overheidsdienst in een formeel vastgestelde functie te worden geplaatst, zelfs niet nadat de toenmalige minister van Algemene Zaken hem bij brief van 10 augustus 2009 daarop heeft gewezen. Hetzelfde geldt voor het verkrijgen van een beoordeling van zijn functioneren. Dat bevordering naar schaal 9 (en derhalve ook naar de schalen 10 en 11) over deze periode niet mogelijk is gebleken, is dan ook mede het gevolg van het stilzitten van klager. De conclusie luidt dan ook dat verweerder het verzoek van klager om zijn rechtspositie over de periode van 1 november 2001 tot 1 november 2009 te verbeteren door middel van bevordering, terecht heeft afgewezen. Van schending van het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geen sprake. 7.3.3 Wat betreft het verzoek om bevordering naar schaal 13 op grond van de versnelde carrièrelijn, oordeelt het gerecht dat klager geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen waaruit blijkt dat hij op grond van het geldende beleid inzake de versnelde carrièrelijn aanspraak maakt op een dergelijke bevordering. Het desbetreffende verzoek is dan ook terecht door verweerder afgewezen. Bottom of Form Conclusie en gevolgen 8. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. De bestreden beschikking kan in stand blijven. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - verklaart het bezwaar ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz). Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen: als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak; in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak. De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval: het hoger beroepschrift indienen in tweevoud; een afschrift van deze uitspraak bijvoegen; vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden). Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend. Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.
Volledig
Wat vindt het gerecht? 7.1 Het gerecht stelt voorop dat bevordering geen recht van de betrokken ambtenaar is noch een automatisme, doch een discretionaire bevoegdheid van het bevoegde gezag. Aan die bevoegdheid kan toepassing worden gegeven indien en voor zover de betrokken ambtenaar voldoet aan de te stellen eisen voor bevordering (opleiding, functiezwaarte, beoordeling omtrent het functioneren, dienstanciënniteit, en plaats van de functie in de organisatie). Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 7.2 In geschil is de vraag of verweerder klagers rechtspositie had moeten rechttrekken door hem in de periode van 2001 tot en met 2009 te bevorderen naar de schalen 9, 10 en 11, en hem met ingang van 1 januari 2021 – met toepassing van het beleid inzake de versnelde carrièrelijn – te bevorderen naar schaal 13. Het gerecht overweegt als volgt. 7.3.1 Het gerecht stelt voorop dat in deze procedure voldoende is komen vast te staan dat klager in de periode van 1 november 2001 tot 1 november 2009 feitelijk als raadsadviseur heeft gefungeerd bij het Bureau van de toenmalige Minister van Algemene Zaken en belast was met beleidsadviserende en coördinerende werkzaamheden. Dit blijkt uit de brief van 8 oktober 2009 van de chef van het bureau van voornoemde minister, alsmede uit het functie-inventarisatieformulier van 25 augustus 2009, ondertekend door die minister (productie 5 bij de contramemorie). Het gerecht is dan ook van oordeel dat de vermelding in de bestreden beschikking dat klager sinds 2005 non-actief was, onjuist is. 7.3.2 Deze omissie brengt echter niet met zich dat de bestreden beschikking reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Om voor bevordering in aanmerking te komen, dient klager immers te voldoen aan de daarvoor geldende bevorderingseisen. Klager wenst per 1 januari 2005 te worden bevorderd naar de rang van commies 1ste klasse (schaal 9). Niet is gebleken dat klager gedurende de daaraan voorafgaande periode een functie heeft bekleed die, gelet op de functiezwaarte, een bevordering naar schaal 9 rechtvaardigt. Zijn voormalige functie bij SETAR is immers in 2003 wegens verzelfstandiging komen te vervallen, zonder dat klager nadien bij een andere dienst in een passende of gelijkwaardige functie is geplaatst. Klager is met andere woorden vanaf 2003 en gedurende de resterende terbeschikkingstelling ‘blijven zweven’. Weliswaar heeft klager in die periode feitelijk werkzaamheden verricht als raadsadviseur bij het Bureau van de toenmalige Minister van Algemene Zaken, maar deze functie kent geen formele grondslag. De term ‘raadsadviseur’ wordt gebruikt ter aanduiding van personeel dat werkzaam is voor het kabinet en belast is met beleidsmatige aangelegenheden, maar is niet als formele functie vastgesteld. Het in dit verband gedane beroep van klager op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, reeds omdat niet is gesteld of gebleken van gelijke gevallen die gelijk behandeld hadden moeten worden. Zelfs indien dit anders zou zijn geweest en de functiezwaarte had kunnen worden vastgesteld, is niet gebleken dat klager gedurende de voornoemde periode door de toenmalige Minister van Algemene Zaken op zijn prestaties is beoordeeld. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat klager heeft voldaan aan het vereiste van een gunstige beoordeling. Niet is gebleken dat klager in de genoemde periode actie heeft ondernomen om alsnog bij een overheidsdienst in een formeel vastgestelde functie te worden geplaatst, zelfs niet nadat de toenmalige minister van Algemene Zaken hem bij brief van 10 augustus 2009 daarop heeft gewezen. Hetzelfde geldt voor het verkrijgen van een beoordeling van zijn functioneren. Dat bevordering naar schaal 9 (en derhalve ook naar de schalen 10 en 11) over deze periode niet mogelijk is gebleken, is dan ook mede het gevolg van het stilzitten van klager. De conclusie luidt dan ook dat verweerder het verzoek van klager om zijn rechtspositie over de periode van 1 november 2001 tot 1 november 2009 te verbeteren door middel van bevordering, terecht heeft afgewezen. Van schending van het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geen sprake. 7.3.3 Wat betreft het verzoek om bevordering naar schaal 13 op grond van de versnelde carrièrelijn, oordeelt het gerecht dat klager geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen waaruit blijkt dat hij op grond van het geldende beleid inzake de versnelde carrièrelijn aanspraak maakt op een dergelijke bevordering. Het desbetreffende verzoek is dan ook terecht door verweerder afgewezen. Bottom of Form Conclusie en gevolgen 8. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. De bestreden beschikking kan in stand blijven. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - verklaart het bezwaar ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz). Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen: als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak; in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak. De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval: het hoger beroepschrift indienen in tweevoud; een afschrift van deze uitspraak bijvoegen; vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden). Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend. Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.