Rechtspraak 2026-02-09
ECLI:NL:OGAACMB:2026:15
Uitspraak van 9 februari 2026 Gaza nr. AUA202500377 GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar als bedoeld in de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Klaagster], wonend in Aruba, KLAAGSTER, gemachtigde: mr. F.B. Ras, gericht tegen: DE MINISTER VAN ONDERWIJS EN SPORT, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ). INLEIDING 1. In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klaagster tegen de ingangsdatum van haar bevordering naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse in schaal 7. 1.1 De beslissing heeft verweerder genomen bij ministeriële beschikking van 13 december 2024 (hierna: de bestreden beschikking). 1.2 Verweerder heeft op 2 april 2025 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Hierna heeft verweerder op 4 juni 2025 een contramemorie ingediend. 1.3 Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 16 juni 2025, waar klaagster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar voornoemde gemachtigde, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd. 1.4 Hierna is uitspraak nader bepaald op heden. OVERWEGINGEN Ontvankelijkheid 2.1 Op grond van artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen. 2.2 Klaagster heeft haar bezwaarschrift op 10 februari 2025, dus na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Zij heeft aangevoerd de bestreden beschikking op 13 januari 2025 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het bezwaar is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Klaagster is ontvankelijk in haar bezwaar. Waar gaat deze zaak over? 3. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder de ingangsdatum van de bevordering van klaagster naar schaal 7 terecht heeft bepaald op 4 september 2021. 4. Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 4.1 Klaagster is met ingang van 1 januari 2013 aangesteld als ambtenaar in de rang van adjunct-commies in schaal 6 bij de Instituto Pedagogico Arubano (IPA). 4.2 Klaagster is in augustus 2017 de functie van coördinator Studenten Services bij de IPA gaan vervullen. Deze functie is maximaal gewaardeerd op het niveau van schaal 8. 4.3 De algemeen directeur van de IPA heeft bij brief van 4 juni 2019, verweerder verzocht om klaagster te bevorderen naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7), omdat klaagster in haar functioneren heeft laten zien dat zij de taken verbonden aan die functie goed aankan, en een bevordering op zijn plaats is. 4.4 De Dienst Publieke Scholen heeft verweerder op 19 augustus 2022 geadviseerd om de bevorderingsdatum van klaagster op te schuiven en te bepalen op 1 december 2021 omdat klaagster in de periode vanaf 1 augustus 2017 tot 1 augustus 2021 in totaal 124 dagen arbeidsongeschikt is geweest. 4.5 Bij ministeriële beschikking van 11 oktober 2022 is klaagster met ingang van 1 december 2021 naar schaal 7 bevorderd. Hiertegen heeft klaagster bezwaar ingediend. Bij uitspraak van dit gerecht van 20 mei 2024 (AUA202404298) is dat bezwaar gegrond verklaard, is de ministeriële beschikking van 11 oktober 2022 nietig verklaard, en is verweerder opgedragen om binnen één maand na dagtekening van de uitspraak opnieuw te beslissen op het voorstel tot bevordering van klaagster naar schaal 7. 4.6 Bij onderhavige bestreden beschikking heeft verweerder besloten om klaagster me