Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2025-05-14
ECLI:NL:OGAACMB:2025:90
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,778 tokens
Inleiding
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
uitspraak
in de zaak van:
[klager],
klager,
gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam,
tegen
Het Bestuur van het Algemeen Pensioenfonds van Curaçao,
verweerder,
gemachtigde: mr. L.M. Virginia, advocaat.
Inleiding
1.1
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van klager tegen de beslissing op bezwaar van verweerder gedateerd 4 juli 2023, verzonden 20 juli 2023 (de bestreden beslissing).
1.2
Klager heeft op 17 augustus 2023 beroep ingesteld bij het Gerecht.
1.3
Verweerder heeft een contramemorie ingediend.
1.4
Het beroep is ter zitting van het Gerecht behandeld op 22 januari 2025. Namens klager is zijn gemachtigde ter zitting verschenen. Namens verweerder is de gemachtigde verschenen, vergezeld door mr. [A], die werkzaam is bij het APC als manager Juridische Zaken & Compliance.
Overwegingen
2. Het Gerecht beoordeelt in deze zaak de bestreden beslissing. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is omdat verweerder het invaliditeitspensioen van klager op grond van een juiste toepassing van de wet correct heeft berekend. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Wat is van belang om te weten in deze zaak?
3.1
Klager was werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en was daar vanaf 11 juli 1995 in vaste pensioengerechtigde dienst. In verband met blijvende arbeidsongeschiktheid voor het vervullen van zijn functie is klager medisch afgekeurd en in verband hiermee op 30 november 2022 eervol ontslagen.
3.2
Vanaf 1 december 2022 heeft het APC invaliditeitspensioen uitgekeerd aan klager. Daaraan voorafgaand had klager echter geen pensioenbericht ontvangen met betrekking tot dat pensioen. Bij brief van 31 maart 2023 heeft klager verweerder daarop gewezen. Ook heeft klager daarbij geklaagd over het bedrag van zijn invaliditeitspensioen, omdat deze volgens hem ten onrechte niet een compensatie van 30% bevatte. Daarop heeft de directeur van het APC bij brief van 5 mei 2023 gereageerd. Aan deze brief heeft zij een pensioenbericht gedateerd 4 mei 2023 gehecht (het pensioenbericht). In die brief is bepaald dat aan klager met ingang van 1 december 2022 een invaliditeitspensioen wordt toegekend van NAf 49.671,- per jaar. Ook is bepaald dat het invaliditeitspensioen verhoogd wordt met een tijdelijk pensioen van NAf 9.462,- per jaar totdat klager de leeftijd van 65 jaar bereikt waarna dat tijdelijk pensioen vervalt.
3.3
Bij brief van 1 juni 2023 heeft klager bezwaar gemaakt tegen voornoemde brief van 5 mei 2023 en het daaraan gehechte pensioenbericht. Zijn bezwaar was in de kern gericht tegen de weigering van het APC om zijn invaliditeitspensioen met terugwerkende tot 1 december 2022 met een compensatie van 30% te verhogen.
3.4
Bij de bestreden beslissing heeft verweerder op het bezwaar van klager beslist. Daarbij heeft verweerder bepaald, voor zover hier van belang, dat bij de berekening van het invaliditeitspensioen zoals vastgelegd in het pensioenbericht van 4 mei 2023 de correcte wettelijke grondslag is toegepast en dat de compensatie bedoeld in artikel 110b, derde en vierde lid, van de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren (de Plvo) niet van toepassing is op de berekening van het invaliditeitspensioen van klager. Verder heeft verweerder geoordeeld dat het beroep van klager op het vertrouwensbeginsel niet slaagt en het bezwaar ongegrond verklaard.
Wat zijn de standpunten van partijen?
4.1
Klager is het niet eens met de bestreden beslissing. Daartoe stelt hij het volgende. Bij de berekening van zijn invaliditeitspensioen heeft het APC-artikel 27, zesde en zevende lid, en artikel 110b, derde en vierde lid, van de Plvo niet correct toegepast. APC was namelijk op grond van die artikelen gehouden om aan personen aan wie na 1 januari 2016 een invaliditeitspensioen is toegekend, onder wie klager, de verhoging van de pensioenaanspraken opgebouwd per 31 december 2015 met 30% te verhogen. APC heeft echter in strijd met de wet nagelaten om het invaliditeitspensioen van klager met 30% te verhogen. Dat terwijl, APC in pensioenberichten aan klager over de jaren 2016 tot en met 2021 steeds aan klager heeft meegedeeld dat de verhoging van 30% al in de pensioenaanspraak is verwerkt. Daar heeft klager dan ook op mogen vertrouwen. Er zijn andere ambtenaren die een invaliditeitspensioen ontvangen die wel met 30% is verhoogd. Door na te laten het invaliditeitspensioen van klager met 30% te verhogen handelt APC in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur.
4.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat klager eerder bezwaar had kunnen maken bij het APC omdat hij vanaf 1 december tot en met 31 maart 2023 invaliditeitspensioen heeft ontvangen en dan ook maandelijks pensioenstroken heeft ontvangen. Die pensioenstroken staan dan ook vast en zijn dus in rechte onaantastbaar geworden. Klager heeft geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd die het terugkomen daarop rechtvaardigen. Verder stelt verweerder dat hij artikel 27 en artikel 110b van de Plvo. correct heeft toegepast en dat op grond van die bepalingen bedoelde verhoging van 30% uitsluitend betrekking heeft op het ouderdomspensioen en niet ook op het invaliditeitspensioen zoals klager stelt. Van schending van het vertrouwensbeginsel en verbod van willekeur/gelijkheidsbeginsel is geen sprake.
Relevante wettelijke bepalingen
5.1
Relevant voor de beoordeling van het Gerecht zijn de volgende artikelen van de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren (Plvo).
Artikel 27
[…]
6. Onverminderd het eerste tot en met vijfde lid wordt bij de berekening van het
invaliditeitspensioen mede als diensttijd in aanmerking genomen de tijd die de
betrokken overheidsdienaar tot zijn 65ste levensjaar zou hebben kunnen vervullen,
indien hij niet wegens ongeschiktheid zou zijn ontslagen waarbij als de op die tijd
betrekking hebbende pensioengrondslag geldt de pensioengrondslag die is gehanteerd
met betrekking tot het tijdvak dat ligt onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag
wegens ongeschiktheid.
7. Het invaliditeitspensioen van de gepensioneerde overheidsdienaar die nog niet de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, wordt verhoogd met een tijdelijk pensioen ter grootte
van een overeenkomstig het eerste en tweede lid berekend percentage van de franchise
die geldt voor de pensioengrondslag, bedoeld in het zesde lid. Het tijdelijk pensioen
vervalt met ingang van de dag waarop de gepensioneerde overheidsdienaar de leeftijd
van 65 jaar bereikt. Bij de toepassing van het vijfde lid wordt in de plaats van het
wettelijk ouderdomspensioen, het berekende tijdelijk pensioen meegenomen.
[…]
Artikel 110b
1. Voor de overheidsdienaar die als diensttijd in aanmerking komende tijd heeft die is gelegen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 30a en die op dat tijdstip jonger is dan 60 jaar, geldt voor die gehele tijd, in afwijking van artikel 27, eerste en tweede lid, het bedrag dat gelijk is aan het jaarlijkse bedrag van het pensioen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, dat zou hebben gegolden indien de overheidsdienaar onmiddellijk voorafgaande aan dat tijdstip recht op dat pensioen zou hebben verkregen, als aanspraak op pensioen, bedoeld in artikel 27, derde lid. Indien artikel 30a gedurende het jaar in werking treedt, wordt voor de berekening van de voor dat jaar geldende aanspraak op pensioen het bedrag, bedoeld in de vorige volzin, vermeerderd met het bedrag dat in dat jaar, na de inwerkingtreding van artikel 30a, ingevolge artikel 27, tweede lid, voor de berekening van het pensioen meetelt.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 30a gewezen overheidsdienaren voor wat betreft hun uitzicht op pensioen.
3. Het ouderdomspensioen van de degenen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt, indien dat pensioen wordt toegekend met ingang van de dag waarop de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt, verhoogd met het bedrag bedoeld in het vierde lid.
4. Het bedrag van de verhoging bedoeld in het derde lid, is gelijk aan het produkt van 0,3 en het bedrag van de aanspraak op pensioen, bedoeld in het eerste lid.
[…]
Wat is het oordeel van het Gerecht?
6.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht het bezwaar van klager ongegrond heeft verklaard. Nu ook het beroep van klager op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet slaagt, is het beroep ongegrond. Dit betekent dat de bestreden beslissing in stand blijft.
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2025, te Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier, P.N.F. Pereira do Tanque.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.