Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2025-05-19
ECLI:NL:OGAACMB:2025:56
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,887 tokens
Inleiding
Uitspraak van 19 mei 2025
GAZA nr. AUA202302970
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van
de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Klager],
wonend in Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: advocaat mr. E.H.J. Martis,
tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mrs. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] (DRH).
HET PROCESVERLOOP
1.1
Bij Landsbesluit van 26 juli 2023 no. 1, heeft verweerder besloten om klager met ingang van 27 juli 2023 in zijn ambt te schorsen tot op de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent de disciplinaire strafoplegging. Deze beslissing zal hierna worden aangeduid met de bestreden beslissing.
1.2
Klager heeft hiertegen bezwaar gemaakt door indiening van een pro-forma bezwaarschrift en aanvullende gronden bij het gerecht.
1.3
Verweerder heeft op 5 januari 2024 een contramemorie met producties ingediend.
1.4
Partijen hebben hierna, op 17 juni 2024 en 19 juni 2024, nadere stukken ingediend.
1.5
Het gerecht heeft de zaak mondeling behandeld ter zitting van 24 juni 2024, waar klager in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door de gemachtigden voornoemd. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader uiteengezet aan de hand van voorgedragen en overgelegde aantekeningen, en hebben over en weer op elkaars standpunten gereageerd.
1.6
De uitspraak is hierna nader bepaald op heden.
Overwegingen
Inleiding
2.1
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaarschrift van klager gericht tegen de bestreden beslissing. Ter beantwoording ligt daarbij voor de vraag of verweerder heeft mogen beslissen om klager de ordemaatregel van schorsing op te leggen. Het gerecht is van oordeel dat de door klager aangevoerde argumenten voldoende redenen geven voor vernietiging van de bestreden beslissing. Het bezwaar zal daarom gegrond worden verklaard.
2.2
Het gerecht legt hierna dit oordeel uit. Bij de beoordeling neemt het gerecht het volgende in aanmerking.
De relevante feiten
3.1
Klager is vanaf april 1991 als ambtenaar werkzaam bij het Land en is op 30 mei 2019 benoemd als directeur bij de Directie Infrastructuur en Planning (DIP).
3.2
In het jaar 2021 startte het openbaar ministerie (OM) een strafrechtelijk onderzoek naar vermeende onregelmatigheden met betrekking tot de uitgifte van vergunningen en (particuliere) huurgronden en verdenking van machtsmisbruik binnen de DIP. Op 18 juni 2021 werd een zoeking verricht in het gebouw van de DIP en werd klager als verdachte gehoord. In april 2023 werd klager bij ongedateerde brief van de toenmalige procureur-generaal (PG) bericht, dat de zaak tegen hem (geregistreerd onder zaaknummer P-2023-01453) geseponeerd wordt, omdat na langdurig en uitgebreid onderzoek van de Landsrecherche is gebleken dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de verdenking tegen hem.
3.3
Bij brief van 21 april 2023 heeft de PG de toenmalige minister, belast met Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening (hierna: de betreffende minister) bericht dat met betrekking tot het onderzoek “Kukwisa” de strafzaak tegen klager is geseponeerd, omdat gedurende het onderzoek is gebleken van geen of onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. In die brief schrijft de PG -voor zover hier van belang- verder het volgende;
“(…) Onderzoek Kukwisa betreft een onderzoek door de Landsrecherche terzake verdenking van ambtsmisbruik en was gerelateerd aan de uitgifte van (particuliere) huurgronden in de periode dat mevrouw [minister] minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu was en dhr. [klager] directeur van deze directie. Bij genoemde directie zou (door de directeur) een zogenaamd gesloten (schaduw) systeem zijn gecreëerd waarbij de uitgifte van huurgronden werd afgeschermd voor het overige personeel. Op 18 juni 2021 werd (…) een zoeking verricht in het gebouw van de DIP. (…) Tijdens deze zoeking werd de directeur als verdachte gehoord. (…)
In zijn verklaring ontkende hij dat er sprake was van gesloten (schaduw) systeem. Hij verklaarde ook dat de toenmalige minister bij het begin van de Covid-19 pandemie opdracht had gegeven om versneld huurgronden uit te geven ten behoeve van de Landbouw in Aruba. En omdat de minister het allemaal niet snel genoeg vond gaan zij op enig moment met een lijst kwam met daarop personen aan wie een stuk huurgrond moet worden toegewezen en waarbij sommigen voorrang moesten krijgen. Dhr. [klager] kwalificeerde dit als politieke patronage en weigerde in eerste instantie om hieraan mee te werken. Naar aanleiding van deze verklaring van dhr. [klager] werd de voormalige minister eveneens als verdachte aangemerkt.
De strafzaak tegen dhr. [klager] is geseponeerd (…). Er is gedurende het onderzoek gebleken van geen of onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De strafzaak tegen de minister is geseponeerd, omdat zij ten onrechte als verdachte is aangemerkt. In het onderzoek zijn er geen feiten en/of omstandigheden bekend geworden die de verklaring van dhr. [klager] over het handelen van de minister ondersteunen/bevestigen.
In het kader van behoorlijk bestuur en een betrouwbare overheid, vraag ik nog uw aandacht voor het volgende. Uit de verklaring van dhr. [klager] kan geconcludeerd worden dat de registratie en administratie bij de directe (nog) verre van ideaal is. Ook spreekt de directeur over het gegeven dat er volgens hem medewerkers zijn die af en toe aanvragers helpen, terwijl dit niet volgens de procedures is. Hij gebruikt daarbij de term ‘ik durf mijn hand niet in het vuur te steken voor al het personeel dat hier werkt’. Tenslotte blijkt uit zijn verklaring dat hij gemiddeld 125 dossiers over allerlei onderwerpen per dag bestudeert. Ik kan dan ook niet anders concluderen dat het nog maar de vraag is of de directeur wel aan zijn eigenlijke taak, leidinggeven aan de directie, toekomt. Dat dit mij de nodige zorgen baart zal u niet verbazen. (…)”.
3.4
De betreffende minister heeft vervolgens bij beschikking van 6 mei 2023 klager de toegang tot -kort gezegd- het werk voor de duur van zes weken ontzegd. Deze toegangsontzegging vond plaats in verband met informatie ontvangen van het OM naar aanleiding van het sepot in het onderzoek Kukwisa, waaruit -samengevat- mogelijk zou blijken dat klager bij de Landsrecherche onwaarheden had verklaard over het handelen van de toenmalige minister, en zijn ondergeschikten in een negatief daglicht heeft gesteld. De betreffende minister vond onderzoek noodzakelijk omdat sprake was van ernstige verdenkingen en vermeende integriteitsschending die maakten dat zij niet het nodige vertrouwen in klager kon stellen. Klager heeft bij brief van 15 mei 2023 bij de betreffende minister geprotesteerd tegen de toegangsontzegging, en de stellingen en aantijgingen in die brief ontkend en betwist. Op 22 en 23 mei 2023 heeft het onderzoeksteam, onder leiding van het DRH, gesprekken met klager gevoerd. Bij beschikking van 16 juni 2023 is de toegangsontzegging met zes weken verlengd, omdat het onderzoek nog liep.
3.5
Hierna is klager geschorst. Hiertegen richt zich onderhavig bezwaar.
3.6.
Bij brief van 10 april 2024 is klager opgeroepen om zich jegens verweerder te verantwoorden over het hem verweten gedrag.
De bestreden beslissing
4. Aan de bestreden beslissing is ten grondslag gelegd dat tegen klager een disciplinair onderzoek loopt wegens verdenking van het plegen van ernstig plichtsverzuim, en dat gelet op de verdenkingen en de omvang ervan het wenselijk wordt geacht om in het belang van de dienst klager te schorsen in zijn ambt. Klager wordt vooralsnog ervan verdacht mogelijk de volgende plichtsverzuimen te hebben gepleegd:
1) het onterecht beschuldigen van derden;
2) het niet correct dan wel niet transparant handelen bij gebruik van zijn mandaatbevoegdheid;
3) het in strijd met beleid en FIFO verlenen of gedogen van voorrang aan sommige aanvraagdossiers en niet consequent omgaan met politieke patronage;
4) het niet transparant communiceren over fouten die door DIP gemaakt werden in dossiers, waarbij klager de aandacht van zichzelf tracht af te leiden door alles in de schoenen van een derde te schuiven;
5) het geen blijk geven van zijn voorbeeldfunctie door een onterecht verkregen onbebouwd erfpachtperceel niet prijs te geven;
6) de niet-toegelaten economische overdracht dan wel onderverhuring van [adres];
7) het meedelen van onwaarheden;
8) het niet op orde hebben van administratie, het overmatig dan wel gebrekkig verrichten van controles, en het niet tot leidinggeven toekomen.
De standpunten van partijen
5.1
Klager kan zich niet verenigen met de hem opgelegde schorsing en heeft zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat er onvoldoende grond bestaat voor het treffen van een ordemaatregel jegens hem, nu er geen objectieve redenen, laat staan concrete aanwijzingen zijn om aan te nemen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.
Beoordeling
7.1
Het gerecht stelt voorop dat de schorsing het karakter heeft van een ordemaatregel die kan worden opgelegd als het ongestoord functioneren van de dienst of het dienstonderdeel door het handhaven van de ambtenaar niet langer verzekerd zou zijn. De beslissing tot schorsing dient door het gerecht te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden, zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van die beslissing (ex-tunc).
7.2
Naar vaste jurisprudentie vindt het bevoegde gezag in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel, als aan de integriteit van de betrokken ambtenaar moet worden getwijfeld en het in hem te stellen vertrouwen zozeer is geschaad dat niet aanvaardbaar is dat hij zijn werk blijft doen.
7.3
Wat betreft de vraag of er in dit geval voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel bestaat, overweegt het gerecht dat de maatregel is genomen in verband met een door verweerder opgestart disciplinair onderzoek naar aanleiding van het vermoeden van door klager gepleegd plichtsverzuim. Naar het oordeel van het gerecht gaat het in deze - gelet op het besprokene ter zitting en de overgelegde stukken - om een concrete verdenking van plichtsverzuim zodat schorsing gedurende het disciplinair onderzoek in redelijkheid in het belang van de dienst kan worden geacht. Het gerecht laat zich in het kader van deze procedure niet uit over de vraag of de verdenking terecht is.
8. Over de duur van de schorsing is in de bestreden beslissing vermeld dat de schorsing ingaat op de dag na dagtekening van het landsbesluit en duurt tot de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent de disciplinaire strafoplegging. Klager betoogt dat de schorsing te lang voortduurt. In dat verband is uit de overgelegde stukken gebleken dat klager bij brief van 10 april 2024 ter verantwoording is geroepen. Dat er inmiddels, meer dan een jaar later, een advies van het Departamento di Recurso Humano (DRH) inzake de disciplinaire strafoplegging naar de betreffende minister is gestuurd, dan wel dat verweerder reeds een besluit omtrent de disciplinaire strafoplegging heeft genomen, is in deze procedure niet gebleken.
Het gerecht is van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel met zich brengt dat een schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk en dat in dat verband door verweerder voortvarendheid dient te worden betracht bij de uitvoering van het disciplinaire onderzoek. Het gerecht stelt vast dat het disciplinair onderzoek in deze is aangevangen op 6 mei 2023 en dat dit onderzoek ruim dertien maanden later (ten tijde van de behandeling van deze zaak ter zitting) nog niet was afgerond. Inmiddels zijn hierna weer ruim 11 maanden verstreken, en het gerecht heeft van partijen geen informatie ontvangen over een eventuele disciplinaire strafoplegging. Gelet op het vorenstaande overweegt het gerecht dat in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat het belang van de dienst het vordert dat de schorsing nog langer voortduurt. De nadelige gevolgen van het niet werkzaam zijn voor klager acht het gerecht in dit verband bovendien onevenredig in verhouding met het doel dat met het voortduren van de schorsing nog wordt gediend.
Conclusie
9. Het gerecht ziet gelet op het bovenstaande dan ook aanleiding om de bestreden beslissing met toepassing van artikel 85 van de Lma op dit punt te wijzigen en te bepalen dat de schorsing duurt tot uiterlijk drie weken na de datum van deze uitspraak.
10. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar gegrond is.
11. Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van klager.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt de bestreden beslissing, voor zover het ziet op de duur van de schorsing;
- bepaalt dat de schorsing zal duren tot uiterlijk drie weken na de datum van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van klager, die tot zover worden begroot op Afl. 1.400,- aan gemachtigdensalaris.
Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 mei 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
na de dag van de uitspraak, als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest;
na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, in de andere gevallen.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.