Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2024-12-04
ECLI:NL:OGAACMB:2024:57
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,889 tokens
Inleiding
Zaaknummer: EUX202400030
Datum: 4 december 2024
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
ZITTINGSPLAATS SINT EUSTATIUS
UITSPRAAK
In het geding van:
[klaagster],
klaagster,
gemachtigde: mr. N.R. JOUBERT,
tegen
DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,
verweerder,
gemachtigde: mr. T. BREUGOM,
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klaagster tegen de beschikking van 10 januari 2024, waarbij klaagster met ingang van 18 april 2024 eervol ontslag is verleend wegens het opheffen van haar dienstbetrekking (hierna: de bestreden beschikking).
Klaagster heeft op 8 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen de bestreden beschikking. Daarna zijn de gronden ingediend.
Verweerder heeft gereageerd op het bezwaar met een contra- memorie met producties.
De mondelinge behandeling heeft op 13 november 2024 via een directe video- en geluidsverbinding met – onder meer – het Gerecht op Sint Eustatius plaatsgevonden. De rechter, de griffier en de gemachtigde van klaagster voornoemd waren aanwezig in het Gerechtsgebouw in Sint Maarten. Klaagster is verschenen bij het Gerecht te Sint Eustatius.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd, die vanuit Bonaire deelnam via video-conference en vergezeld was door mevrouw Rodriguez, werkzaam bij HR BKCN. Verder zijn namens verweerder verschenen de heer Verheul, algemeen commandant van het brandweerkorps BES en de heer Obispo, lokale commandant op Sint Eustatius, die vanuit Sint Eustatius deelnamen via video-conference.
Uitspraak is bepaald op heden.
Beoordeling
1. Het Gerecht beoordeelt in deze zaak het bezwaar van klaagster tegen de bestreden beschikking. Het Gerecht komt tot de conclusie dat verweerder in voldoende mate heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting om klaagster te herplaatsen. Nu deze inspanningen er niet toe hebben geleid dat klaagster in passende werkzaamheden is herplaatst, mocht verweerder in redelijkheid tot ontslag overgaan. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
2.1.
Sinds 2003 is klaagster als ambtenaar werkzaam voor eilandgebied Sint Eustatius. Op 10 oktober 2010 zijn de drie brandweerkorpsen Bonaire, Sint Eustatius en Saba samengevoegd tot het Brandweerkorps Caribisch Nederland (hierna: BKCN). Klaagster is met ingang van 10 oktober 2010 door verweerder in vaste dienst aangesteld bij de Rijksdienst Caribisch Nederland in de functie van administratief medewerker/centralist bij het BKCN.
2.2.
In 2014 en 2015 is de inrichting en organisatie van de BKCN geëvalueerd. De conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek zijn door BKCN vertaald in een document met concrete stappen voor zowel de korte als lange termijn, die de basis hebben gevormd voor de doorontwikkeling van de organisatie. Voor het concretiseren van de organisatiestructuur is begin 2018 een projectleider aangetrokken met als opdracht: vormgeven aan de organisatiestructuur en het opleveren van een herzien Organisatie & Formatie (O&F) rapport.
2.3.
Bij e-mail van 29 juni 2021 van de (destijds) algemeen commandant van het BKCN is het concept herzien O&F rapport, het bijbehorende addendum en het positieve advies van de Participatieraad aan het personeel van BKCN waaronder klaagster aangeboden. In paragraaf 3.4.3 van dit conceptrapport is vermeld dat de functie van administratief medewerker/centralist op Sint Eustatius komt te vervallen en dat de betrokken functionaris in overleg een passende functie wordt aangeboden.
2.4.
De definitieve versie van het herziene O&F rapport is op 12 november 2021 door de Korpsbeheerder geaccordeerd. Op 30 november 2021 is dit rapport door de werkgever en de vakbonden vastgesteld in het sectoroverleg Caribisch Nederland. In dit definitieve rapport is een aanvullende paragraaf 3.4.5 opgenomen, waarin – onder meer – staat:
‘De functie van administratief medewerker/centralist komt te vervallen. In overleg met de medewerker zal naar een passende functie worden gezocht, binnen of buiten BKCN. Hiervoor geldt een bemiddelingstermijn van twee jaar. Gedurende die periode zal de medewerker boven formatief worden geplaatst. In deze periode zullen zowel BKCN als de medewerker zich wederzijds inspannen om een passende functie te vinden. De afspraken over de doelen en de voorzieningen hiervoor zullen schriftelijk worden vastgelegd in een trajectplan. De bemiddelingstermijn start nadat het definitieve besluit van boventalligheid is uitgereikt.’
2.5.
Op 17 januari 2022 heeft klaagster het boventalligheidsbesluit ontvangen. In dit besluit, opgesteld namens verweerder door de algemeen commandant van het BKCN en gericht aan klaagster, is – onder meer – het volgende opgenomen:
‘Met deze brief informeer ik u over het besluit dat, met het vaststellen van dit rapport, uw functie van administratief medewerker/centralist vervalt. Op 4 oktober en op 10 december 2021 heb ik een gesprek met u hierover gevoerd. Afgesproken is dat we samen naar een passende functie binnen of buiten de organisatie van BKCN gaan zoeken. Hiervoor geldt een bemiddelingstermijn van twee jaar.’
2.6.
In de periode van januari 2022 tot en met november 2023 heeft een traject gelopen, gericht op bemiddeling van klaagster naar een andere functie. Dit traject heeft niet geleid tot de herplaatsing van klaagster in een andere functie. Verweerder heeft vervolgens de bestreden beschikking genomen en klaagster met ingang van 18 april 2024 eervol ontslag verleend wegen opheffing van haar functie op grond van artikel 91, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES.
Bezwaren tegen opheffing functie
3.1.
Klaagster is het niet eens met de opheffing van haar functie. Zij betoogt dat haar functie niet op louter zakelijke en objectieve gronden is opgeheven, en stelt zich ook op het standpunt dat het samenstel van werkzaamheden die zij uitvoerde niet feitelijk en daadwerkelijk zijn verdwenen maar zijn ondergebracht bij andere collega’s. In dit verband stelt klaagster ook dat er toezeggingen zijn gedaan, waardoor bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zij haar baan niet zal verliezen.
3.2.
Het Gerecht stelt vast dat verweerder de functie van klaagster bij boventalligheidsbesluit van 17 januari 2022 heeft opgeheven. Vaststaat dat klaagster tegen dit besluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend, waardoor het in rechte vaststaat. De bezwaren van klaagster tegen de opheffing van haar functie, zijn in feite gericht tegen het boventalligheidsbesluit, dat is genomen naar aanleiding van het vastgestelde herziene O&F rapport. Dit boventalligheidsbesluit heeft formele rechtskracht, en de rechtmatigheid daarvan kan daarom niet in deze procedure ter discussie worden gesteld. De bezwaren van klaagster gericht tegen de opheffing van haar functie kunnen reeds om deze reden niet slagen.
3.3.
Ook de door klaagster ingenomen stelling, dat haar is toegezegd dat zij binnen de organisatie van BKCN zou worden herplaatst, treft geen doel. Nog daargelaten dat klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een toezegging waaraan zij een gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen, is in het boventalligheidsbesluit expliciet vermeld dat samen naar een passende functie ‘binnen of buiten de organisatie van BKCN’ zal worden gezocht. Indien klaagster het hiermee niet eens was, had het op haar weg gelegen om hiertegen bezwaar te maken. Dat zij dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico.
Bezwaren tegen ontslagbesluit
4.1.
Klaagster voert aan dat aan haar ten onrechte ontslag is verleend, nu het herplaatsingsonderzoek niet zorgvuldig is geweest. Anders dan verweerder heeft gesteld, is klaagster van mening dat zij zich voldoende heeft ingezet om een passende functie te vinden, helaas zonder resultaat. Verweerder heeft bij de belangenafweging onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van klaagster. Eiseres is al meer dan 20 jaar werkzaam als ambtenaar en het zal mede gelet op haar leeftijd zeer moeilijk zijn om een nieuwe baan te vinden, waardoor het ontslagbesluit vergaande financiële gevolgen voor klaagster heeft. Gelet op dit alles dient het bestreden besluit te worden vernietigd, aldus klaagster.
4.2.
Ingevolge artikel 91, eerste lid van het Rechtspositiebesluit BES kan aan de ambtenaar eervol ontslag worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking, wegens verandering in de inrichting van de dienst of het bedrijf, waar hij werkzaam is, hetzij van twee of meer diensten of bedrijven, of wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten.
4.3.
Ter beoordeling van het Gerecht staat of het ontslagbesluit in rechte stand kan houden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder voldoende inspanningen heeft verricht om klaagster binnen of buiten de organisatie van BKCN te herplaatsen. Het Gerecht stelt voorop dat, gelet op de ingrijpende gevolgen van een ontslag voor een ambtenaar, aan een herplaatsingonderzoek veel gewicht moet worden toegekend. Of een werkgever voldoende inspanningen heeft verricht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Ook van de met ontslag bedreigde ambtenaar mag echter worden verwacht dat deze zich actief inspant om een andere passende functie te verkrijgen.
4.4.
Klaagster heeft aangevoerd dat het herplaatsingsonderzoek onzorgvuldig is verlopen.
Dictum
Het Gerecht in ambtenarenzaken:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Eustatius, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 4 december 2024.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.