Rechtspraak
Hoge Raad
2026-05-19
ECLI:NL:HR:2026:772
Strafrecht
Cassatie
3,701 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:772 text/xml public 2026-05-19T13:00:18 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-05-19 25/00446 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:229 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:772 text/html public 2026-05-19T11:46:46 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:772 Hoge Raad , 19-05-2026 / 25/00446 Verduistering van geldbedragen in 2011, art. 321 Sr. Verjaring, absolute verjaringstermijn (art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr). Feiten zijn bij art. 321 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren is gesteld. O.g.v. art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr beloopt verjaringstermijn in dit geval ten hoogste 2 maal 6 jaren. Wat betreft onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tlgd. feiten is recht tot strafvervolging wegens verjaring vervallen, v.zv. termijn van 12 jaren is verstreken. O.g.v. art. 71 Sr vangt verjaringstermijn daarbij aan op dag na die waarop feit is gepleegd, behalve in hier niet aan de orde zijnde gevallen. In het licht van ’s hofs bewijsvoering, waarin als ’s hofs vaststelling besloten ligt dat aanknopingspunten ontbreken aan de hand waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat plegen van deze feiten heeft voortgeduurd na 16-11-2011, moet ervan worden uitgegaan dat wat deze tlgd. feiten betreft verjaringstermijn is aangevangen op 17-11-2011, zodat deze feiten op 16-11-2023 zijn verjaard. HR zal wat betreft deze tlgd. feiten het OM n-o verklaren in vervolging. Volgt (partiële) vernietiging en n-o verklaring OM t.a.v. verduistering (van geldbedragen in 2011) en terugwijzing t.a.v. strafoplegging voor ander feit (verduistering van geldbedrag in 2015). HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00446 Datum 19 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2025, nummer 21-003692-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen over het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde (daaronder begrepen de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregelen) en de strafoplegging, tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde, tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak wat betreft de strafoplegging voor het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat wat betreft feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair het recht tot strafvervolging wegens verjaring is vervallen. 2.2.1 Aan de verdachte is – voorzover van belang – tenlastegelegd dat: “1. subsidiair hij in of omstreeks de periode van 3 september 2010 tot en met 10 februari 2017 te [plaats] , gemeente [plaats] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €20.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; (...) 2. subsidiair hij in of omstreeks de periode van 5 september 2010 tot en met 9 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €10.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; (...) 3. subsidiair hij in of omstreeks de periode van 9 april 2010 tot en met 10 februari 2017 te [plaats] , gemeente [plaats] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €10.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”. 2.2.2 Het hof heeft daarvan bewezenverklaard dat: “1. subsidiair hij in de periode van 3 september 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €20.000,-) toebehorende aan [benadeelde 1] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 2. subsidiair hij in de periode van 5 september 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €10.000,-) toebehorende aan [benadeelde 2] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 3. subsidiair hij in de periode van 9 april 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €10.000,-) toebehorende aan [benadeelde 3] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”. 2.3.1 De onder 2.2.1 genoemde feiten zijn bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren is gesteld. 2.3.2 Op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 Sr beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren. Wat betreft de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten is het recht tot strafvervolging wegens verjaring vervallen, voor zover een termijn van twaalf jaren is verstreken. Op grond van artikel 71 Sr vangt de verjaringstermijn daarbij aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, behalve in hier niet aan de orde zijnde gevallen. 2.3.3 In het licht van de bewijsvoering van het hof, die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.4 is weergegeven en waarin als vaststelling van het hof besloten ligt dat aanknopingspunten ontbreken aan de hand waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat het plegen van deze feiten heeft voortgeduurd na 16 november 2011, moet ervan worden uitgegaan dat wat de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten betreft de verjaringstermijn is aangevangen op 17 november 2011, zodat deze feiten op 16 november 2023 zijn verjaard. 2.4 Het cassatiemiddel is gegrond. De Hoge Raad zal wat betreft de onder 2.3.3 genoemde tenlastegelegde feiten het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. 3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:772 text/xml public 2026-05-19T13:00:18 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-05-19 25/00446 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:229 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:772 text/html public 2026-05-19T11:46:46 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:772 Hoge Raad , 19-05-2026 / 25/00446 Verduistering van geldbedragen in 2011, art. 321 Sr. Verjaring, absolute verjaringstermijn (art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr). Feiten zijn bij art. 321 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren is gesteld. O.g.v. art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr beloopt verjaringstermijn in dit geval ten hoogste 2 maal 6 jaren. Wat betreft onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tlgd. feiten is recht tot strafvervolging wegens verjaring vervallen, v.zv. termijn van 12 jaren is verstreken. O.g.v. art. 71 Sr vangt verjaringstermijn daarbij aan op dag na die waarop feit is gepleegd, behalve in hier niet aan de orde zijnde gevallen. In het licht van ’s hofs bewijsvoering, waarin als ’s hofs vaststelling besloten ligt dat aanknopingspunten ontbreken aan de hand waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat plegen van deze feiten heeft voortgeduurd na 16-11-2011, moet ervan worden uitgegaan dat wat deze tlgd. feiten betreft verjaringstermijn is aangevangen op 17-11-2011, zodat deze feiten op 16-11-2023 zijn verjaard. HR zal wat betreft deze tlgd. feiten het OM n-o verklaren in vervolging. Volgt (partiële) vernietiging en n-o verklaring OM t.a.v. verduistering (van geldbedragen in 2011) en terugwijzing t.a.v. strafoplegging voor ander feit (verduistering van geldbedrag in 2015). HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00446 Datum 19 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2025, nummer 21-003692-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen over het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde (daaronder begrepen de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregelen) en de strafoplegging, tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde, tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak wat betreft de strafoplegging voor het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat wat betreft feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair het recht tot strafvervolging wegens verjaring is vervallen. 2.2.1 Aan de verdachte is – voorzover van belang – tenlastegelegd dat: “1. subsidiair hij in of omstreeks de periode van 3 september 2010 tot en met 10 februari 2017 te [plaats] , gemeente [plaats] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €20.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; (...) 2. subsidiair hij in of omstreeks de periode van 5 september 2010 tot en met 9 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €10.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; (...) 3. subsidiair hij in of omstreeks de periode van 9 april 2010 tot en met 10 februari 2017 te [plaats] , gemeente [plaats] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €10.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”. 2.2.2 Het hof heeft daarvan bewezenverklaard dat: “1. subsidiair hij in de periode van 3 september 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €20.000,-) toebehorende aan [benadeelde 1] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 2. subsidiair hij in de periode van 5 september 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €10.000,-) toebehorende aan [benadeelde 2] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 3. subsidiair hij in de periode van 9 april 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €10.000,-) toebehorende aan [benadeelde 3] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”. 2.3.1 De onder 2.2.1 genoemde feiten zijn bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren is gesteld. 2.3.2 Op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 Sr beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren. Wat betreft de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten is het recht tot strafvervolging wegens verjaring vervallen, voor zover een termijn van twaalf jaren is verstreken. Op grond van artikel 71 Sr vangt de verjaringstermijn daarbij aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, behalve in hier niet aan de orde zijnde gevallen. 2.3.3 In het licht van de bewijsvoering van het hof, die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.4 is weergegeven en waarin als vaststelling van het hof besloten ligt dat aanknopingspunten ontbreken aan de hand waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat het plegen van deze feiten heeft voortgeduurd na 16 november 2011, moet ervan worden uitgegaan dat wat de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten betreft de verjaringstermijn is aangevangen op 17 november 2011, zodat deze feiten op 16 november 2023 zijn verjaard. 2.4 Het cassatiemiddel is gegrond. De Hoge Raad zal wat betreft de onder 2.3.3 genoemde tenlastegelegde feiten het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. 3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.