Rechtspraak
Hoge Raad
2026-05-19
ECLI:NL:HR:2026:767
Strafrecht
Cassatie
1,903 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:767 text/xml public 2026-05-19T12:56:18 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-05-19 23/04977 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:4097 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:218 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:767 text/html public 2026-05-19T12:14:57 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:767 Hoge Raad , 19-05-2026 / 23/04977 Poging tot doodslag door tijdens vrijgezellenavond voor café een ander met kapotgeslagen glas in zijn hals te raken, art. 287 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten daderschap van verdachte en opzet. Blijkt uit bewijsvoering dat aangever het letsel heeft opgelopen door toedoen van verdachte en dat verdachte dit letsel opzettelijk heeft toegebracht? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft zijn vaststelling in bewijsvoering dat “verdachte door zijn handelen de aangever met kapot glas in nek, zijnde achterste gedeelte van hals, heeft geraakt”, uit bewijsmiddelen kunnen afleiden. Stelling dat ‘s hofs bewijsvoering de mogelijkheid openlaat dat letsel (in zijn geheel) door ander is veroorzaakt, is daarmee ook onjuist. Uit bewijsvoering volgt bovendien genoegzaam dat bij verdachte voorwaardelijk opzet heeft bestaan op dood van aangever, nu daaruit blijkt dat verdachte onder invloed van alcohol in richting van menigte aan elkaar duwende en trekkende mensen is gelopen, terwijl hij in zijn hand voor zich uit houdend bierglas hield dat hij zelf (bewust) tegen tafelrand had stukgeslagen. Volgt verwerping. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04977 Datum 19 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 december 2023, nummer 20-000625-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstraf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring. 2.2 De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.4. 2.3 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.5 tot en met 2.13. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 28 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze 27 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:767 text/xml public 2026-05-19T12:56:18 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-05-19 23/04977 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:4097 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:218 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:767 text/html public 2026-05-19T12:14:57 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:767 Hoge Raad , 19-05-2026 / 23/04977 Poging tot doodslag door tijdens vrijgezellenavond voor café een ander met kapotgeslagen glas in zijn hals te raken, art. 287 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten daderschap van verdachte en opzet. Blijkt uit bewijsvoering dat aangever het letsel heeft opgelopen door toedoen van verdachte en dat verdachte dit letsel opzettelijk heeft toegebracht? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft zijn vaststelling in bewijsvoering dat “verdachte door zijn handelen de aangever met kapot glas in nek, zijnde achterste gedeelte van hals, heeft geraakt”, uit bewijsmiddelen kunnen afleiden. Stelling dat ‘s hofs bewijsvoering de mogelijkheid openlaat dat letsel (in zijn geheel) door ander is veroorzaakt, is daarmee ook onjuist. Uit bewijsvoering volgt bovendien genoegzaam dat bij verdachte voorwaardelijk opzet heeft bestaan op dood van aangever, nu daaruit blijkt dat verdachte onder invloed van alcohol in richting van menigte aan elkaar duwende en trekkende mensen is gelopen, terwijl hij in zijn hand voor zich uit houdend bierglas hield dat hij zelf (bewust) tegen tafelrand had stukgeslagen. Volgt verwerping. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04977 Datum 19 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 december 2023, nummer 20-000625-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstraf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring. 2.2 De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.4. 2.3 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.5 tot en met 2.13. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 28 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze 27 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026 .