Rechtspraak
Hoge Raad
2026-01-20
ECLI:NL:HR:2026:76
Strafrecht
Cassatie
1,541 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:76 text/xml public 2026-02-27T10:04:24 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-20 23/04826 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2023:3646 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1226 Rechtspraak.nl RvdW 2026/255 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:76 text/html public 2026-01-20T13:13:17 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:76 Hoge Raad , 20-01-2026 / 23/04826 Witwassen van geldbedragen, art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht wetenschap van criminele herkomst. Blijkt uit bewijsvoering dat verdachte wist dat salaris dat hij ontving in periode van december 2016 tot en met maart 2017 van misdrijf afkomstig was? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft kunnen oordelen dat verdachte wist of op zijn minst willens en wetens aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat geld dat hij in periode december 2016 tot en met maart 2017 als salaris ontving, afkomstig was uit beleggingsfraude. Uit bewijsvoering blijkt dat verdachte meer dan enkel onvoorzichtig is geweest. Zijn handelingen indiceren dat hij, zolang hij zijn salaris ontving, gevolgen (het onder zich nemen van gelden afkomstig uit misdrijf) bewust op de koop toenam. Volgt verwerping. Samenhang met 23/04870, 23/04893, 23/04938 en 23/04940. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04826 Datum 20 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023, nummer 23-002796-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en de taakstraf van 72 uren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:76 text/xml public 2026-02-27T10:04:24 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-20 23/04826 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2023:3646 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1226 Rechtspraak.nl RvdW 2026/255 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:76 text/html public 2026-01-20T13:13:17 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:76 Hoge Raad , 20-01-2026 / 23/04826 Witwassen van geldbedragen, art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht wetenschap van criminele herkomst. Blijkt uit bewijsvoering dat verdachte wist dat salaris dat hij ontving in periode van december 2016 tot en met maart 2017 van misdrijf afkomstig was? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft kunnen oordelen dat verdachte wist of op zijn minst willens en wetens aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat geld dat hij in periode december 2016 tot en met maart 2017 als salaris ontving, afkomstig was uit beleggingsfraude. Uit bewijsvoering blijkt dat verdachte meer dan enkel onvoorzichtig is geweest. Zijn handelingen indiceren dat hij, zolang hij zijn salaris ontving, gevolgen (het onder zich nemen van gelden afkomstig uit misdrijf) bewust op de koop toenam. Volgt verwerping. Samenhang met 23/04870, 23/04893, 23/04938 en 23/04940. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04826 Datum 20 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023, nummer 23-002796-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en de taakstraf van 72 uren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026 .