Rechtspraak
Hoge Raad
2026-05-01
ECLI:NL:HR:2026:740
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,126 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:740 text/xml public 2026-05-02T00:01:18 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-05-01 25/02786 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2025:4603 Rechtspraak.nl NLF 2026/0884 Viditax (FutD) 2026050111 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:740 text/html public 2026-05-01T11:22:44 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:740 Hoge Raad , 01-05-2026 / 25/02786 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/02786 Datum 1 mei 2026 ARREST in de zaak van GEMEENTE [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 juli 2025, nr. BK-ARN 23/2827 , op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. ARN 22/4347) betreffende het door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonheffingen over het tijdvak februari 2021. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door P. van Barneveld, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026. ECLI:NL:GHARL:2025:4603. Vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:25, en HR 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:660.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:740 text/xml public 2026-05-02T00:01:18 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-05-01 25/02786 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2025:4603 Rechtspraak.nl NLF 2026/0884 Viditax (FutD) 2026050111 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:740 text/html public 2026-05-01T11:22:44 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:740 Hoge Raad , 01-05-2026 / 25/02786 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/02786 Datum 1 mei 2026 ARREST in de zaak van GEMEENTE [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 juli 2025, nr. BK-ARN 23/2827 , op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. ARN 22/4347) betreffende het door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonheffingen over het tijdvak februari 2021. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door P. van Barneveld, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026. ECLI:NL:GHARL:2025:4603. Vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:25, en HR 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:660.