Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-14
ECLI:NL:HR:2026:655
Strafrecht
Herziening
2,373 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:655 text/xml public 2026-04-14T12:55:16 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 25/00561 Uitspraak Herziening NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1195 Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RBNNE:2017:2946 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:655 text/html public 2026-04-13T16:36:55 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:655 Hoge Raad , 14-04-2026 / 25/00561 Herziening. Medeplegen diverse Opiumwetdelicten (art. 2.A, 2.B en 10a Opiumwet), als oprichter en leider deelnemen aan criminele organisatie (art. 140.2 Sr jo. 11b.2 Opiumwet), gewoontewitwassen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr) en (medeplegen) voorhanden hebben en overdragen van vuurwapens en patronen, meermalen gepleegd (art. 26.1 en 31.1 WWM). Aangevoerd wordt dat Rb het OM n-o zou hebben verklaard in vervolging van aanvrager (zoals hof deed in zaak tegen medeverdachte A) als Rb bekend was geweest met wat is gebleken bij behandeling van die zaak in hoger beroep over vormverzuimen i.v.m. verklaringen van medeverdachte B, art. 457.1.c Sv. Om redenen vermeld in HR:2026:562 is aanvraag ongegrond. Afwijzing aanvraag. Samenhang met 25/00562 H en 25/00577 H. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00561 H Datum 14 april 2026 ARREST op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2017, nummer 18-950041-15, ingediend door de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes, namens [aanvrager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de aanvrager. 1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd De rechtbank heeft de aanvrager veroordeeld voor ‘medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden, meermalen gepleegd’, ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, ‘als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet’, ‘als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’, ‘gewoontewitwassen’, ‘medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, en artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en de feiten begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd’ en ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III’ tot een gevangenisstraf van acht jaren. 2 De aanvraag tot herziening 2.1 De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2 De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering. In de aanvraag wordt daartoe in de kern aangevoerd dat sprake is van het ernstige vermoeden dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging van de aanvrager – zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:7367 – als de rechtbank bekend was geweest met de eerst bij de behandeling van die zaak in hoger beroep bekend geworden informatie over de vormverzuimen in verband met de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] . 3 De conclusie van de advocaat-generaal 3.1 De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot afwijzing van de aanvraag tot herziening en heeft voor de redenen daarvoor verwezen naar zijn conclusie in de zaak van de voormalige medeverdachte van de aanvrager op grond van een identiek herzieningsverzoek in de zaak met nummer 25/00562 H. 3.2 De raadslieden van de aanvrager hebben daarop schriftelijk gereageerd en daarbij verwezen naar hun schriftelijke reactie op de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak met nummer 25/00562 H. 4 Beoordeling van de aanvraag De aanvraag is ongegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/00562 H, ECLI:NL:HR:2026:562. 5 Beslissing De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:655 text/xml public 2026-04-14T12:55:16 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 25/00561 Uitspraak Herziening NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1195 Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RBNNE:2017:2946 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:655 text/html public 2026-04-13T16:36:55 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:655 Hoge Raad , 14-04-2026 / 25/00561 Herziening. Medeplegen diverse Opiumwetdelicten (art. 2.A, 2.B en 10a Opiumwet), als oprichter en leider deelnemen aan criminele organisatie (art. 140.2 Sr jo. 11b.2 Opiumwet), gewoontewitwassen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr) en (medeplegen) voorhanden hebben en overdragen van vuurwapens en patronen, meermalen gepleegd (art. 26.1 en 31.1 WWM). Aangevoerd wordt dat Rb het OM n-o zou hebben verklaard in vervolging van aanvrager (zoals hof deed in zaak tegen medeverdachte A) als Rb bekend was geweest met wat is gebleken bij behandeling van die zaak in hoger beroep over vormverzuimen i.v.m. verklaringen van medeverdachte B, art. 457.1.c Sv. Om redenen vermeld in HR:2026:562 is aanvraag ongegrond. Afwijzing aanvraag. Samenhang met 25/00562 H en 25/00577 H. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00561 H Datum 14 april 2026 ARREST op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2017, nummer 18-950041-15, ingediend door de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes, namens [aanvrager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de aanvrager. 1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd De rechtbank heeft de aanvrager veroordeeld voor ‘medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden, meermalen gepleegd’, ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, ‘als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet’, ‘als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’, ‘gewoontewitwassen’, ‘medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, en artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en de feiten begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd’ en ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III’ tot een gevangenisstraf van acht jaren. 2 De aanvraag tot herziening 2.1 De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2 De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering. In de aanvraag wordt daartoe in de kern aangevoerd dat sprake is van het ernstige vermoeden dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging van de aanvrager – zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:7367 – als de rechtbank bekend was geweest met de eerst bij de behandeling van die zaak in hoger beroep bekend geworden informatie over de vormverzuimen in verband met de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] . 3 De conclusie van de advocaat-generaal 3.1 De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot afwijzing van de aanvraag tot herziening en heeft voor de redenen daarvoor verwezen naar zijn conclusie in de zaak van de voormalige medeverdachte van de aanvrager op grond van een identiek herzieningsverzoek in de zaak met nummer 25/00562 H. 3.2 De raadslieden van de aanvrager hebben daarop schriftelijk gereageerd en daarbij verwezen naar hun schriftelijke reactie op de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak met nummer 25/00562 H. 4 Beoordeling van de aanvraag De aanvraag is ongegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/00562 H, ECLI:NL:HR:2026:562. 5 Beslissing De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .