Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-14
ECLI:NL:HR:2026:633
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
2,005 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:633 text/xml public 2026-04-14T12:45:22 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 24/02659 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:1102 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:55 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:633 text/html public 2026-04-10T17:01:43 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:633 Hoge Raad , 14-04-2026 / 24/02659 Medeplegen invoer van 3.776 kilogram, 1.015 kilogram en 1.200 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. invoer van harddrugs (art. 10a.1.2 Opiumwet), aanwezig hebben van harddrugs (art. 2.C Opiumwet) en medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Bewijsklachten gewoontewitwassen t.a.v. herkomst van geldbedragen, wetenschap en gewoonte. 2. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering wegens ontbreken van machtiging van R-C o.g.v. art. 125la Sv voorafgaand aan rechtshulpverzoek, art. 359a Sv. Kon hof volstaan met enkele constatering van vormverzuim? 3. Redelijke termijn in feitelijke aanleg. Heeft hof tijdsverloop in eerste aanleg en in hoger beroep afzonderlijk beoordeeld? 4. Strafoplegging (gevangenisstraf van 14 jaren en 8 maanden) na inwerkingtreding nieuwe regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling. Kon hof oordelen dat wijziging van VI-regeling geen wijziging van straf a.b.i. art. 7 EVRM en art. 15 I HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02659 Datum 14 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, nummer 22-001175-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van veertien jaren en acht maanden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze veertien jaren en drie maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:633 text/xml public 2026-04-14T12:45:22 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 24/02659 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:1102 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:55 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:633 text/html public 2026-04-10T17:01:43 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:633 Hoge Raad , 14-04-2026 / 24/02659 Medeplegen invoer van 3.776 kilogram, 1.015 kilogram en 1.200 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. invoer van harddrugs (art. 10a.1.2 Opiumwet), aanwezig hebben van harddrugs (art. 2.C Opiumwet) en medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Bewijsklachten gewoontewitwassen t.a.v. herkomst van geldbedragen, wetenschap en gewoonte. 2. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering wegens ontbreken van machtiging van R-C o.g.v. art. 125la Sv voorafgaand aan rechtshulpverzoek, art. 359a Sv. Kon hof volstaan met enkele constatering van vormverzuim? 3. Redelijke termijn in feitelijke aanleg. Heeft hof tijdsverloop in eerste aanleg en in hoger beroep afzonderlijk beoordeeld? 4. Strafoplegging (gevangenisstraf van 14 jaren en 8 maanden) na inwerkingtreding nieuwe regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling. Kon hof oordelen dat wijziging van VI-regeling geen wijziging van straf a.b.i. art. 7 EVRM en art. 15 I HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02659 Datum 14 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, nummer 22-001175-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van veertien jaren en acht maanden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze veertien jaren en drie maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .