Rechtspraak
Hoge Raad
2026-05-19
ECLI:NL:HR:2026:625
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,618 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:625 text/xml public 2026-05-20T00:01:38 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-05-19 24/02516 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:220 In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2024:1846 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:625 text/html public 2026-05-18T16:50:21 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:625 Hoge Raad , 19-05-2026 / 24/02516 Medeplegen opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van 51 kilo cocaïne in de door hem bestuurde bedrijfsauto met verborgen ruimte (art. 2.B en 2.C Opiumwet) en deelnemen aan criminele (drugs)organisatie die zich bezighoudt met grootschalige (internationale) handel in cocaïne en gewoontewitwassen (art. 11b.1 Opiumwet). 1. Grondslagverlating deelnemen aan criminele organisatie. Heeft hof grondslag van tll. verlaten door aan onderdeel van tll. een uitleg te geven die niet strookt met bewoordingen daarvan, terwijl verdachte geen gelegenheid heeft gehad zich tegen die ruimere (interpretatie van) tll. te verdedigen? 2. Bewijsklacht vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne t.a.v. opzet. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte zich minst genomen bewust is geweest van aanmerkelijke kans dat zich in de door hem bestuurde auto een hoeveelheid cocaïne bevond? 3. Bewijsklachten deelnemen aan criminele organisatie t.a.v. concrete betrokkenheid van verdachte vóór 4-3-2014, witwassen van winsten van organisatie en bewezenverklaring van hetzelfde feit. 4. Strafmotivering (gevangenisstraf van 38 maanden), art. 359.6 Sv. Heeft hof verzuimd te vermelden welk deel van opgelegde gevangenisstraf in elk geval (in penitentiaire inrichting) ten uitvoer zal worden gelegd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02518 en 24/02580. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02516 Datum 19 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2024, nummer 23-004360-17, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en S.J. van der Woude bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:625 text/xml public 2026-05-20T00:01:38 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-05-19 24/02516 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:220 In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2024:1846 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:625 text/html public 2026-05-18T16:50:21 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:625 Hoge Raad , 19-05-2026 / 24/02516 Medeplegen opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van 51 kilo cocaïne in de door hem bestuurde bedrijfsauto met verborgen ruimte (art. 2.B en 2.C Opiumwet) en deelnemen aan criminele (drugs)organisatie die zich bezighoudt met grootschalige (internationale) handel in cocaïne en gewoontewitwassen (art. 11b.1 Opiumwet). 1. Grondslagverlating deelnemen aan criminele organisatie. Heeft hof grondslag van tll. verlaten door aan onderdeel van tll. een uitleg te geven die niet strookt met bewoordingen daarvan, terwijl verdachte geen gelegenheid heeft gehad zich tegen die ruimere (interpretatie van) tll. te verdedigen? 2. Bewijsklacht vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne t.a.v. opzet. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte zich minst genomen bewust is geweest van aanmerkelijke kans dat zich in de door hem bestuurde auto een hoeveelheid cocaïne bevond? 3. Bewijsklachten deelnemen aan criminele organisatie t.a.v. concrete betrokkenheid van verdachte vóór 4-3-2014, witwassen van winsten van organisatie en bewezenverklaring van hetzelfde feit. 4. Strafmotivering (gevangenisstraf van 38 maanden), art. 359.6 Sv. Heeft hof verzuimd te vermelden welk deel van opgelegde gevangenisstraf in elk geval (in penitentiaire inrichting) ten uitvoer zal worden gelegd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02518 en 24/02580. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02516 Datum 19 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2024, nummer 23-004360-17, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en S.J. van der Woude bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026 .