Rechtspraak
Hoge Raad
2026-01-16
ECLI:NL:HR:2026:61
Civiel recht; Personen- en familierecht
Cassatie
6,082 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:61 text/xml public 2026-03-24T11:06:27 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-16 25/00915 Uitspraak Cassatie Beschikking NL Civiel recht; Personen- en familierecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1137 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:331 Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/37 NJB 2026/195 PFR-Updates.nl 2026-0014 NJ 2026/57 RvdW 2026/216 JIN 2026/22 met annotatie van mr. M.B. Winthagen http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:61 text/html public 2026-01-16T09:40:01 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:61 Hoge Raad , 16-01-2026 / 25/00915 Personen- en familierecht. Art. 1:377a BW. Motivering van ontzegging van omgang. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/00915 Datum 16 januari 2026 BESCHIKKING In de zaak van [de moeder], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, hierna: de moeder, advocaat: N.C. van Steijn, tegen 1. [de pleegvader], 2. [de pleegmoeder], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, hierna gezamenlijk: de pleegouders, advocaat: J.E. Strengholt-Geitenbeek. 1 Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de beschikking in de zaak C/10/644933 / FA RK 22-6616 van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2023; b. de beschikking in de zaken 200.330.463/01 en 200.330.465/01 van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025. De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. De pleegouders hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025 en tot verwijzing. De advocaat van de pleegouders heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2 Uitgangspunten en feiten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) De moeder heeft een dochter (hierna: de minderjarige), die is geboren in […] 2010. (ii) De rechtbank Rotterdam heeft in september 2010 een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een crisispleeggezin voor de duur van vier weken verleend. (iii) De rechtbank Rotterdam heeft in augustus 2012 de ouders ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige en een voogdes benoemd. (iv) De rechtbank Rotterdam heeft in augustus 2018 de pleegouders benoemd tot voogden over de minderjarige. (v) Sinds 2015 geldt een omgangsregeling waarbij de moeder en de minderjarige elkaar een uur per acht weken ontmoeten op locatie bij pleegzorg. 2.2 In dit geding verzoekt de moeder uitbreiding van de omgangsregeling. De pleegouders hebben in eerste aanleg bij zelfstandig verzoek verzocht de omgangsregeling te beperken tot een begeleid bezoek van twee keer per jaar een uur, rond de verjaardag van de moeder in maart en van de minderjarige in augustus. De rechtbank heeft zowel het verzoek van de moeder als het verzoek van de pleegouders afgewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen (rov. 3.1.4): “De rechtbank voelt mee met de wensen van de moeder, maar ziet nu, net als in 2020, vanwege de kwetsbaarheid van [de minderjarige] en haar grote behoefte aan bijzondere zorg, geen ruimte voor uitgebreidere omgang. Tegelijkertijd lijkt het de rechtbank ook geen goed idee als de omgang nog minder vaak zal plaatsvinden dan 6 keer per jaar, omdat de band dan wellicht zal verwateren. Daarbij ziet de rechtbank ook geen noodzaak tot een ingeperkte omgang, omdat de rechtbank denkt dat een andere vorm van omgang een minder ingrijpend alternatief is om te bereiken dat de omgangsregeling minder moeizaam verloopt, ook voor [de minderjarige]. De rechtbank geeft partijen in overweging om – zoals tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid is onderzocht en besproken – van de omgangsmomenten een fijn en leuk uitje te maken zodat de sfeer wat ongedwongener wordt. (…)” 2.3 Zowel de moeder als de pleegouders zijn van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de moeder het recht op omgang met de minderjarige ontzegd. Het heeft daartoe het volgende overwogen. “5.9 Het hof is gebleken dat [de minderjarige] bij haar verhoor ernstige bezwaren tegen omgang met de moeder heeft. Ook is naar het oordeel van het hof omgang met de moeder anderszins in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige]. Om die redenen zal het hof de moeder het recht op omgang met [de minderjarige] ontzeggen. Het hof legt dit als volgt uit. 5.10 Hoewel het uitgangspunt is dat [de minderjarige] recht heeft op omgang met haar moeder, volgt het hof de stelling van de pleegouders dat een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] is. De moeder wil de omgangsmomenten graag uitbreiden en onbegeleid laten plaatsvinden. Gebleken is dat het haar al langere tijd niet meer lukt om zich volledig in te zetten voor de huidige omgangsregeling, naar het hof begrijpt omdat zij moeite heeft met de afgesproken locatie en de begeleiding tijdens de omgangsmomenten. [De minderjarige] heeft hier veel last van, aangezien zij juist waarde hecht aan de vaste locatie en de aanwezige begeleiding. De wensen van haar moeder om de omgangsmomenten onbegeleid en op een andere locatie te laten plaatsvinden, boezemen haar veel angst in. Het huidige contact met haar moeder vraagt immers al (te) veel van haar. [De minderjarige] ervaart veel stress in de periode voorafgaand aan de omgangsmomenten en vertoont na het contact met haar moeder veelal teleurgesteld en onrustig gedrag. Verder is duidelijk geworden dat [de minderjarige] ook zelf veel weerstand heeft tegen omgang met haar moeder. Een (uitbreiding van de) omgangsregeling vraagt naar het oordeel van het hof daarom op dit moment te veel van [de minderjarige] , en dat is niet in haar belang. Het hof betreurt het ten zeerste dat [de minderjarige] het zo moeilijk heeft met het contact met haar moeder. Ter zitting heeft de pleegzorgwerker bevestigd dat er tijdens de omgangsmomenten weinig interactie is tussen [de minderjarige] en de moeder, temeer nu de moeder geen inspanningen doet om aan te sluiten bij de belevingswereld van [de minderjarige].” 3 Beoordeling van het middel 3.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof niet of onvoldoende heeft onderzocht waarom niet een minder zware maatregel mogelijk was dan ontzegging van de omgang. Onderdeel 2 klaagt dat het hof in rov. 5.9 en 5.10 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van zulke ernstige bezwaren of zulke zwaarwegende belangen van de minderjarige dat zij ontzegging van de omgang rechtvaardigen. Er waren ook minder verstrekkende maatregelen mogelijk, althans, dat had onderzocht moeten worden, aldus het onderdeel. 3.2 Ingevolge art. 1:377a lid 1 BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouder en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Art. 1:377a lid 3, aanhef en onder c en d, BW bepaalt onder meer dat de rechter het recht op omgang ontzegt indien het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, respectievelijk indien omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 3.3 Het recht op omgang is een fundamenteel onderdeel van het in art. 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’. Art. 8 lid 2 EVRM eist voor het aanbrengen van beperkingen op het recht op omgang dat dit bij wet is bepaald, noodzakelijk is in een democratische samenleving en een gerechtvaardigd doel dient. Beperkingen moeten voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Nationale autoriteiten hebben een beperkte ‘margin of appreciation’ als het gaat om maatregelen die de omgang tussen ouder en kind beperken. Hoe ingrijpender de gevolgen van de beperking, des te indringender dient de noodzaak daarvan te worden getoetst. Art. 8 EVRM eist dat een redelijk evenwicht wordt bereikt tussen de belangen van het kind en die van de ouders, en dat daarbij bijzonder gewicht wordt toegekend aan de belangen van het kind.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:61 text/xml public 2026-04-29T15:07:52 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-16 25/00915 Uitspraak Cassatie Beschikking NL Civiel recht; Personen- en familierecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1137 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:331 Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/37 NJB 2026/195 PFR-Updates.nl 2026-0014 NJ 2026/57 RvdW 2026/216 JIN 2026/22 met annotatie van mr. M.B. Winthagen JPF 2026/60 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:61 text/html public 2026-01-16T09:40:01 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:61 Hoge Raad , 16-01-2026 / 25/00915 Personen- en familierecht. Art. 1:377a BW. Motivering van ontzegging van omgang. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/00915 Datum 16 januari 2026 BESCHIKKING In de zaak van [de moeder], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, hierna: de moeder, advocaat: N.C. van Steijn, tegen 1. [de pleegvader], 2. [de pleegmoeder], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, hierna gezamenlijk: de pleegouders, advocaat: J.E. Strengholt-Geitenbeek. 1 Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de beschikking in de zaak C/10/644933 / FA RK 22-6616 van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2023; b. de beschikking in de zaken 200.330.463/01 en 200.330.465/01 van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025. De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. De pleegouders hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025 en tot verwijzing. De advocaat van de pleegouders heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2 Uitgangspunten en feiten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) De moeder heeft een dochter (hierna: de minderjarige), die is geboren in […] 2010. (ii) De rechtbank Rotterdam heeft in september 2010 een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een crisispleeggezin voor de duur van vier weken verleend. (iii) De rechtbank Rotterdam heeft in augustus 2012 de ouders ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige en een voogdes benoemd. (iv) De rechtbank Rotterdam heeft in augustus 2018 de pleegouders benoemd tot voogden over de minderjarige. (v) Sinds 2015 geldt een omgangsregeling waarbij de moeder en de minderjarige elkaar een uur per acht weken ontmoeten op locatie bij pleegzorg. 2.2 In dit geding verzoekt de moeder uitbreiding van de omgangsregeling. De pleegouders hebben in eerste aanleg bij zelfstandig verzoek verzocht de omgangsregeling te beperken tot een begeleid bezoek van twee keer per jaar een uur, rond de verjaardag van de moeder in maart en van de minderjarige in augustus. De rechtbank heeft zowel het verzoek van de moeder als het verzoek van de pleegouders afgewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen (rov. 3.1.4): “De rechtbank voelt mee met de wensen van de moeder, maar ziet nu, net als in 2020, vanwege de kwetsbaarheid van [de minderjarige] en haar grote behoefte aan bijzondere zorg, geen ruimte voor uitgebreidere omgang. Tegelijkertijd lijkt het de rechtbank ook geen goed idee als de omgang nog minder vaak zal plaatsvinden dan 6 keer per jaar, omdat de band dan wellicht zal verwateren. Daarbij ziet de rechtbank ook geen noodzaak tot een ingeperkte omgang, omdat de rechtbank denkt dat een andere vorm van omgang een minder ingrijpend alternatief is om te bereiken dat de omgangsregeling minder moeizaam verloopt, ook voor [de minderjarige]. De rechtbank geeft partijen in overweging om – zoals tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid is onderzocht en besproken – van de omgangsmomenten een fijn en leuk uitje te maken zodat de sfeer wat ongedwongener wordt. (…)” 2.3 Zowel de moeder als de pleegouders zijn van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de moeder het recht op omgang met de minderjarige ontzegd. Het heeft daartoe het volgende overwogen. “5.9 Het hof is gebleken dat [de minderjarige] bij haar verhoor ernstige bezwaren tegen omgang met de moeder heeft. Ook is naar het oordeel van het hof omgang met de moeder anderszins in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige]. Om die redenen zal het hof de moeder het recht op omgang met [de minderjarige] ontzeggen. Het hof legt dit als volgt uit. 5.10 Hoewel het uitgangspunt is dat [de minderjarige] recht heeft op omgang met haar moeder, volgt het hof de stelling van de pleegouders dat een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] is. De moeder wil de omgangsmomenten graag uitbreiden en onbegeleid laten plaatsvinden. Gebleken is dat het haar al langere tijd niet meer lukt om zich volledig in te zetten voor de huidige omgangsregeling, naar het hof begrijpt omdat zij moeite heeft met de afgesproken locatie en de begeleiding tijdens de omgangsmomenten. [De minderjarige] heeft hier veel last van, aangezien zij juist waarde hecht aan de vaste locatie en de aanwezige begeleiding. De wensen van haar moeder om de omgangsmomenten onbegeleid en op een andere locatie te laten plaatsvinden, boezemen haar veel angst in. Het huidige contact met haar moeder vraagt immers al (te) veel van haar. [De minderjarige] ervaart veel stress in de periode voorafgaand aan de omgangsmomenten en vertoont na het contact met haar moeder veelal teleurgesteld en onrustig gedrag. Verder is duidelijk geworden dat [de minderjarige] ook zelf veel weerstand heeft tegen omgang met haar moeder. Een (uitbreiding van de) omgangsregeling vraagt naar het oordeel van het hof daarom op dit moment te veel van [de minderjarige] , en dat is niet in haar belang. Het hof betreurt het ten zeerste dat [de minderjarige] het zo moeilijk heeft met het contact met haar moeder. Ter zitting heeft de pleegzorgwerker bevestigd dat er tijdens de omgangsmomenten weinig interactie is tussen [de minderjarige] en de moeder, temeer nu de moeder geen inspanningen doet om aan te sluiten bij de belevingswereld van [de minderjarige].” 3 Beoordeling van het middel 3.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof niet of onvoldoende heeft onderzocht waarom niet een minder zware maatregel mogelijk was dan ontzegging van de omgang. Onderdeel 2 klaagt dat het hof in rov. 5.9 en 5.10 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van zulke ernstige bezwaren of zulke zwaarwegende belangen van de minderjarige dat zij ontzegging van de omgang rechtvaardigen. Er waren ook minder verstrekkende maatregelen mogelijk, althans, dat had onderzocht moeten worden, aldus het onderdeel. 3.2 Ingevolge art. 1:377a lid 1 BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouder en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Art. 1:377a lid 3, aanhef en onder c en d, BW bepaalt onder meer dat de rechter het recht op omgang ontzegt indien het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, respectievelijk indien omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 3.3 Het recht op omgang is een fundamenteel onderdeel van het in art. 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’. Art. 8 lid 2 EVRM eist voor het aanbrengen van beperkingen op het recht op omgang dat dit bij wet is bepaald, noodzakelijk is in een democratische samenleving en een gerechtvaardigd doel dient. Beperkingen moeten voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Nationale autoriteiten hebben een beperkte ‘margin of appreciation’ als het gaat om maatregelen die de omgang tussen ouder en kind beperken. Hoe ingrijpender de gevolgen van de beperking, des te indringender dient de noodzaak daarvan te worden getoetst. Art. 8 EVRM eist dat een redelijk evenwicht wordt bereikt tussen de belangen van het kind en die van de ouders, en dat daarbij bijzonder gewicht wordt toegekend aan de belangen van het kind.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:61 text/xml public 2026-03-24T11:06:27 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-16 25/00915 Uitspraak Cassatie Beschikking NL Civiel recht; Personen- en familierecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1137 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:331 Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/37 NJB 2026/195 PFR-Updates.nl 2026-0014 NJ 2026/57 RvdW 2026/216 JIN 2026/22 met annotatie van mr. M.B. Winthagen http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:61 text/html public 2026-01-16T09:40:01 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:61 Hoge Raad , 16-01-2026 / 25/00915 Personen- en familierecht. Art. 1:377a BW. Motivering van ontzegging van omgang. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/00915 Datum 16 januari 2026 BESCHIKKING In de zaak van [de moeder], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, hierna: de moeder, advocaat: N.C. van Steijn, tegen 1. [de pleegvader], 2. [de pleegmoeder], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, hierna gezamenlijk: de pleegouders, advocaat: J.E. Strengholt-Geitenbeek. 1 Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de beschikking in de zaak C/10/644933 / FA RK 22-6616 van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2023; b. de beschikking in de zaken 200.330.463/01 en 200.330.465/01 van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025. De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. De pleegouders hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025 en tot verwijzing. De advocaat van de pleegouders heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2 Uitgangspunten en feiten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) De moeder heeft een dochter (hierna: de minderjarige), die is geboren in […] 2010. (ii) De rechtbank Rotterdam heeft in september 2010 een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een crisispleeggezin voor de duur van vier weken verleend. (iii) De rechtbank Rotterdam heeft in augustus 2012 de ouders ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige en een voogdes benoemd. (iv) De rechtbank Rotterdam heeft in augustus 2018 de pleegouders benoemd tot voogden over de minderjarige. (v) Sinds 2015 geldt een omgangsregeling waarbij de moeder en de minderjarige elkaar een uur per acht weken ontmoeten op locatie bij pleegzorg. 2.2 In dit geding verzoekt de moeder uitbreiding van de omgangsregeling. De pleegouders hebben in eerste aanleg bij zelfstandig verzoek verzocht de omgangsregeling te beperken tot een begeleid bezoek van twee keer per jaar een uur, rond de verjaardag van de moeder in maart en van de minderjarige in augustus. De rechtbank heeft zowel het verzoek van de moeder als het verzoek van de pleegouders afgewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen (rov. 3.1.4): “De rechtbank voelt mee met de wensen van de moeder, maar ziet nu, net als in 2020, vanwege de kwetsbaarheid van [de minderjarige] en haar grote behoefte aan bijzondere zorg, geen ruimte voor uitgebreidere omgang. Tegelijkertijd lijkt het de rechtbank ook geen goed idee als de omgang nog minder vaak zal plaatsvinden dan 6 keer per jaar, omdat de band dan wellicht zal verwateren. Daarbij ziet de rechtbank ook geen noodzaak tot een ingeperkte omgang, omdat de rechtbank denkt dat een andere vorm van omgang een minder ingrijpend alternatief is om te bereiken dat de omgangsregeling minder moeizaam verloopt, ook voor [de minderjarige]. De rechtbank geeft partijen in overweging om – zoals tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid is onderzocht en besproken – van de omgangsmomenten een fijn en leuk uitje te maken zodat de sfeer wat ongedwongener wordt. (…)” 2.3 Zowel de moeder als de pleegouders zijn van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de moeder het recht op omgang met de minderjarige ontzegd. Het heeft daartoe het volgende overwogen. “5.9 Het hof is gebleken dat [de minderjarige] bij haar verhoor ernstige bezwaren tegen omgang met de moeder heeft. Ook is naar het oordeel van het hof omgang met de moeder anderszins in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige]. Om die redenen zal het hof de moeder het recht op omgang met [de minderjarige] ontzeggen. Het hof legt dit als volgt uit. 5.10 Hoewel het uitgangspunt is dat [de minderjarige] recht heeft op omgang met haar moeder, volgt het hof de stelling van de pleegouders dat een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] is. De moeder wil de omgangsmomenten graag uitbreiden en onbegeleid laten plaatsvinden. Gebleken is dat het haar al langere tijd niet meer lukt om zich volledig in te zetten voor de huidige omgangsregeling, naar het hof begrijpt omdat zij moeite heeft met de afgesproken locatie en de begeleiding tijdens de omgangsmomenten. [De minderjarige] heeft hier veel last van, aangezien zij juist waarde hecht aan de vaste locatie en de aanwezige begeleiding. De wensen van haar moeder om de omgangsmomenten onbegeleid en op een andere locatie te laten plaatsvinden, boezemen haar veel angst in. Het huidige contact met haar moeder vraagt immers al (te) veel van haar. [De minderjarige] ervaart veel stress in de periode voorafgaand aan de omgangsmomenten en vertoont na het contact met haar moeder veelal teleurgesteld en onrustig gedrag. Verder is duidelijk geworden dat [de minderjarige] ook zelf veel weerstand heeft tegen omgang met haar moeder. Een (uitbreiding van de) omgangsregeling vraagt naar het oordeel van het hof daarom op dit moment te veel van [de minderjarige] , en dat is niet in haar belang. Het hof betreurt het ten zeerste dat [de minderjarige] het zo moeilijk heeft met het contact met haar moeder. Ter zitting heeft de pleegzorgwerker bevestigd dat er tijdens de omgangsmomenten weinig interactie is tussen [de minderjarige] en de moeder, temeer nu de moeder geen inspanningen doet om aan te sluiten bij de belevingswereld van [de minderjarige].” 3 Beoordeling van het middel 3.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof niet of onvoldoende heeft onderzocht waarom niet een minder zware maatregel mogelijk was dan ontzegging van de omgang. Onderdeel 2 klaagt dat het hof in rov. 5.9 en 5.10 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van zulke ernstige bezwaren of zulke zwaarwegende belangen van de minderjarige dat zij ontzegging van de omgang rechtvaardigen. Er waren ook minder verstrekkende maatregelen mogelijk, althans, dat had onderzocht moeten worden, aldus het onderdeel. 3.2 Ingevolge art. 1:377a lid 1 BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouder en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Art. 1:377a lid 3, aanhef en onder c en d, BW bepaalt onder meer dat de rechter het recht op omgang ontzegt indien het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, respectievelijk indien omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 3.3 Het recht op omgang is een fundamenteel onderdeel van het in art. 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’. Art. 8 lid 2 EVRM eist voor het aanbrengen van beperkingen op het recht op omgang dat dit bij wet is bepaald, noodzakelijk is in een democratische samenleving en een gerechtvaardigd doel dient. Beperkingen moeten voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Nationale autoriteiten hebben een beperkte ‘margin of appreciation’ als het gaat om maatregelen die de omgang tussen ouder en kind beperken. Hoe ingrijpender de gevolgen van de beperking, des te indringender dient de noodzaak daarvan te worden getoetst. Art. 8 EVRM eist dat een redelijk evenwicht wordt bereikt tussen de belangen van het kind en die van de ouders, en dat daarbij bijzonder gewicht wordt toegekend aan de belangen van het kind.