Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-07
ECLI:NL:HR:2026:563
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,629 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:563 text/xml public 2026-04-07T12:45:49 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-07 24/00160 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:111 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:563 text/html public 2026-04-03T15:53:32 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:563 Hoge Raad , 07-04-2026 / 24/00160 Medeplegen diefstal, art. 311.1.4 Sr. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het (1 dag) te laat is ingesteld, nu akte instellen h.b. 1 dag na appeltermijn is opgemaakt en niet is gebleken dat e-mailbericht met schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b. vóór 17:00 uur van laatste dag van appeltermijn bij griffie Rb is binnengekomen, art. 408.1.a Sv. Ontvankelijkheid h.b., moment van ontvangst van volmacht. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00160 Datum 7 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 januari 2024, nummer 21-001529-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.I. L'Ghdas bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof 3.1 De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. 3.2 De klacht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad acht ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof het namens de verdachte ingestelde hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:563 text/xml public 2026-04-07T12:45:49 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-07 24/00160 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:111 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:563 text/html public 2026-04-03T15:53:32 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:563 Hoge Raad , 07-04-2026 / 24/00160 Medeplegen diefstal, art. 311.1.4 Sr. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het (1 dag) te laat is ingesteld, nu akte instellen h.b. 1 dag na appeltermijn is opgemaakt en niet is gebleken dat e-mailbericht met schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b. vóór 17:00 uur van laatste dag van appeltermijn bij griffie Rb is binnengekomen, art. 408.1.a Sv. Ontvankelijkheid h.b., moment van ontvangst van volmacht. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00160 Datum 7 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 januari 2024, nummer 21-001529-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.I. L'Ghdas bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof 3.1 De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. 3.2 De klacht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad acht ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof het namens de verdachte ingestelde hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026 .