Rechtspraak
Hoge Raad
2026-01-06
ECLI:NL:HR:2026:5
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,695 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:5 text/xml public 2026-02-13T10:03:42 2025-12-24 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-06 23/02669 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1286 Rechtspraak.nl RvdW 2026/178 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:5 text/html public 2026-01-05T11:01:35 2026-01-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:5 Hoge Raad , 06-01-2026 / 23/02669 Medeplegen telen van grote hoeveelheid hennep (art. 3.B jo. 11.5 en 11.2 Opiumwet), valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr) en deelname aan criminele organisatie (art. 11a.1 (oud) jo 11.5 Opiumwet). 1. Bewijsklacht hennepteelt t.a.v. medeplegen. 2. Bewijsklacht deelname aan criminele organisatie t.a.v. verband. Kon hof oordelen dat tussen verdachte en medeverdachte een samenwerkingsverband met zekere structuur bestond? 3. Bewijsklacht valsheid in geschrift t.a.v. opzet op het valselijk opmaken van verklaring. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/02669 Datum 6 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 juni 2023, nummer 22-004988-19, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat N. van Schaik bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:5 text/xml public 2026-02-13T10:03:42 2025-12-24 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-06 23/02669 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1286 Rechtspraak.nl RvdW 2026/178 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:5 text/html public 2026-01-05T11:01:35 2026-01-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:5 Hoge Raad , 06-01-2026 / 23/02669 Medeplegen telen van grote hoeveelheid hennep (art. 3.B jo. 11.5 en 11.2 Opiumwet), valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr) en deelname aan criminele organisatie (art. 11a.1 (oud) jo 11.5 Opiumwet). 1. Bewijsklacht hennepteelt t.a.v. medeplegen. 2. Bewijsklacht deelname aan criminele organisatie t.a.v. verband. Kon hof oordelen dat tussen verdachte en medeverdachte een samenwerkingsverband met zekere structuur bestond? 3. Bewijsklacht valsheid in geschrift t.a.v. opzet op het valselijk opmaken van verklaring. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/02669 Datum 6 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 juni 2023, nummer 22-004988-19, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat N. van Schaik bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026 .