Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:HR:2026:445
Strafrecht
Cassatie
2,786 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:445 text/xml public 2026-03-20T15:23:49 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 23/04185 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2023:9038 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:30 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0088 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:445 text/html public 2026-03-17T15:13:49 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:445 Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/04185 Weigering bloedonderzoek, art. 163.6 WVW 1994. Discrepantie tussen strafoplegging en strafmotivering. Zijn strafmotivering en dictum innerlijk tegenstrijdig omdat strafmotivering een proeftijd van 2 jaren inhoudt voor voorwaardelijke ontzegging van bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen, terwijl in dictum een proeftijd van 3 jaren is vastgesteld? HR: Om redenen vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld maar bestaat geen grond voor cassatie. CAG: In deze zaak kan (in voordeel van verdachte) worden aangesloten bij hetgeen hof in strafmotivering heeft opgemerkt en kan terugwijzing van zaak achterwege blijven. Daarbij komt dat in eerste aanleg ook proeftijd van 2 jaren was vastgesteld en dat AG in hoger beroep ook proeftijd van 2 jaren heeft gevorderd. HR kan ’s hofs arrest aldus verstaan dat door hof een proeftijd van 2 jaren is vastgesteld. HR verstaat dat hof een ontzegging van bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 8 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met proeftijd van 2 jaren, heeft opgelegd. Samenhang met 23/04186. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04185 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2023, nummer 21-003165-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal verstaan dat de door het hof vastgestelde proeftijd twee jaren beloopt en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat de strafmotivering en het dictum innerlijk tegenstrijdig zijn. 2.2 Om de redenen die staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld maar bestaat geen grond voor cassatie. De Hoge Raad zal de door het hof opgelegde ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen verstaan zoals onder 4 is weergegeven. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - verstaat dat het hof aan de verdachte de bevoegdheid heeft ontzegd tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van acht maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren; - verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:445 text/xml public 2026-04-17T10:03:32 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 23/04185 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2023:9038 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:30 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0088 RvdW 2026/456 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:445 text/html public 2026-03-17T15:13:49 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:445 Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/04185 Weigering bloedonderzoek, art. 163.6 WVW 1994. Discrepantie tussen strafoplegging en strafmotivering. Zijn strafmotivering en dictum innerlijk tegenstrijdig omdat strafmotivering een proeftijd van 2 jaren inhoudt voor voorwaardelijke ontzegging van bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen, terwijl in dictum een proeftijd van 3 jaren is vastgesteld? HR: Om redenen vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld maar bestaat geen grond voor cassatie. CAG: In deze zaak kan (in voordeel van verdachte) worden aangesloten bij hetgeen hof in strafmotivering heeft opgemerkt en kan terugwijzing van zaak achterwege blijven. Daarbij komt dat in eerste aanleg ook proeftijd van 2 jaren was vastgesteld en dat AG in hoger beroep ook proeftijd van 2 jaren heeft gevorderd. HR kan ’s hofs arrest aldus verstaan dat door hof een proeftijd van 2 jaren is vastgesteld. HR verstaat dat hof een ontzegging van bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 8 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met proeftijd van 2 jaren, heeft opgelegd. Samenhang met 23/04186. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04185 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2023, nummer 21-003165-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal verstaan dat de door het hof vastgestelde proeftijd twee jaren beloopt en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat de strafmotivering en het dictum innerlijk tegenstrijdig zijn. 2.2 Om de redenen die staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld maar bestaat geen grond voor cassatie. De Hoge Raad zal de door het hof opgelegde ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen verstaan zoals onder 4 is weergegeven. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - verstaat dat het hof aan de verdachte de bevoegdheid heeft ontzegd tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van acht maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren; - verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:445 text/xml public 2026-03-20T15:23:49 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 23/04185 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2023:9038 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:30 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0088 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:445 text/html public 2026-03-17T15:13:49 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:445 Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/04185 Weigering bloedonderzoek, art. 163.6 WVW 1994. Discrepantie tussen strafoplegging en strafmotivering. Zijn strafmotivering en dictum innerlijk tegenstrijdig omdat strafmotivering een proeftijd van 2 jaren inhoudt voor voorwaardelijke ontzegging van bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen, terwijl in dictum een proeftijd van 3 jaren is vastgesteld? HR: Om redenen vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld maar bestaat geen grond voor cassatie. CAG: In deze zaak kan (in voordeel van verdachte) worden aangesloten bij hetgeen hof in strafmotivering heeft opgemerkt en kan terugwijzing van zaak achterwege blijven. Daarbij komt dat in eerste aanleg ook proeftijd van 2 jaren was vastgesteld en dat AG in hoger beroep ook proeftijd van 2 jaren heeft gevorderd. HR kan ’s hofs arrest aldus verstaan dat door hof een proeftijd van 2 jaren is vastgesteld. HR verstaat dat hof een ontzegging van bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 8 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met proeftijd van 2 jaren, heeft opgelegd. Samenhang met 23/04186. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04185 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2023, nummer 21-003165-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal verstaan dat de door het hof vastgestelde proeftijd twee jaren beloopt en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat de strafmotivering en het dictum innerlijk tegenstrijdig zijn. 2.2 Om de redenen die staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld maar bestaat geen grond voor cassatie. De Hoge Raad zal de door het hof opgelegde ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen verstaan zoals onder 4 is weergegeven. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - verstaat dat het hof aan de verdachte de bevoegdheid heeft ontzegd tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van acht maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren; - verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .