Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:HR:2026:432
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
2,437 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:432 text/xml public 2026-04-17T10:03:32 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 24/01696 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:20 Rechtspraak.nl RvdW 2026/466 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:432 text/html public 2026-03-16T14:40:11 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:432 Hoge Raad , 17-03-2026 / 24/01696 Onderzoek Vico, woningoverval waarbij dagopbrengst van jaarlijks muziekfestival in Grijpskerke wordt buitgemaakt. Medeplegen diefstal met geweld d.m.v. braak gedurende voor nachtrust bestemde tijd in woning, art. 312.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten resultaten van DNA-onderzoek en bedreiging met geweld “met stok/knuppel in handen”. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: O.g.v. bevindingen van NFI en met inachtneming van overige bewijsmiddelen komt hof tot conclusie dat relatief groot deel van DNA op draaghengsels en schouderband van sporttas van verdachte afkomstig is en resultaten van DNA-onderzoek derhalve belastend voor verdachte zijn. Daarbij heeft hof de door verdediging opgeworpen mogelijkheid dat DNA van verdachte op sporttas kan zijn terechtgekomen doordat hij wellicht ooit die tas van persoon heeft aangeraakt bij meenemen van tassen van ene naar andere oefening tijdens het buiten sporten, geenszins aannemelijk geacht omdat dit scenario op geen enkele wijze concreet is onderbouwd en ook overigens geen steun vindt in dossier. Dat hof (onder de in zijn nadere bewijsoverwegingen genoemde omstandigheden) het op deze wijze vasthouden van stok of knuppel in combinatie met het midden in de nacht door 3 gemaskerde daders vragen naar geld als onderdeel van bedreiging met geweld heeft aangemerkt, is niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor ‘s hofs oordeel dat sprake was van “dreigend vragen” als omschreven in tll., in aanmerking genomen dat door aangeefster afgelegde verklaring inhoudt dat man die woord deed stok vasthield en uit haar voor bewijs gebruikte verklaring blijkt dat man die als eerste boven was het woord deed en aangeefster toen direct heeft aangewezen in welke slaapkamer het geld lag, waarna zij zelf slaapkamer waar haar kleindochter sliep is ingelopen. Bewezenverklaarde bedreiging met geweld “met stok/knuppel in handen” is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01694, 24/01697, 24/01735 en 24/01829. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01696 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 april 2024, nummer 22-000091-23, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering) van het bewezenverklaarde. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3. 3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel 4.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 4.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren en tien maanden. 5 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en acht maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:432 text/xml public 2026-04-17T10:03:32 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 24/01696 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:20 Rechtspraak.nl RvdW 2026/466 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:432 text/html public 2026-03-16T14:40:11 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:432 Hoge Raad , 17-03-2026 / 24/01696 Onderzoek Vico, woningoverval waarbij dagopbrengst van jaarlijks muziekfestival in Grijpskerke wordt buitgemaakt. Medeplegen diefstal met geweld d.m.v. braak gedurende voor nachtrust bestemde tijd in woning, art. 312.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten resultaten van DNA-onderzoek en bedreiging met geweld “met stok/knuppel in handen”. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: O.g.v. bevindingen van NFI en met inachtneming van overige bewijsmiddelen komt hof tot conclusie dat relatief groot deel van DNA op draaghengsels en schouderband van sporttas van verdachte afkomstig is en resultaten van DNA-onderzoek derhalve belastend voor verdachte zijn. Daarbij heeft hof de door verdediging opgeworpen mogelijkheid dat DNA van verdachte op sporttas kan zijn terechtgekomen doordat hij wellicht ooit die tas van persoon heeft aangeraakt bij meenemen van tassen van ene naar andere oefening tijdens het buiten sporten, geenszins aannemelijk geacht omdat dit scenario op geen enkele wijze concreet is onderbouwd en ook overigens geen steun vindt in dossier. Dat hof (onder de in zijn nadere bewijsoverwegingen genoemde omstandigheden) het op deze wijze vasthouden van stok of knuppel in combinatie met het midden in de nacht door 3 gemaskerde daders vragen naar geld als onderdeel van bedreiging met geweld heeft aangemerkt, is niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor ‘s hofs oordeel dat sprake was van “dreigend vragen” als omschreven in tll., in aanmerking genomen dat door aangeefster afgelegde verklaring inhoudt dat man die woord deed stok vasthield en uit haar voor bewijs gebruikte verklaring blijkt dat man die als eerste boven was het woord deed en aangeefster toen direct heeft aangewezen in welke slaapkamer het geld lag, waarna zij zelf slaapkamer waar haar kleindochter sliep is ingelopen. Bewezenverklaarde bedreiging met geweld “met stok/knuppel in handen” is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01694, 24/01697, 24/01735 en 24/01829. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01696 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 april 2024, nummer 22-000091-23, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering) van het bewezenverklaarde. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3. 3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel 4.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 4.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren en tien maanden. 5 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en acht maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .