Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:HR:2026:427
Strafrecht
Cassatie
2,947 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:427 text/xml public 2026-03-20T15:23:57 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 23/03298 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:10 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0097 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:427 text/html public 2026-03-16T09:20:00 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:427 Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/03298 Witwassen van geldbedrag (€ 87.000) in zak van badjas in woning van verdachte, art. 420bis.1.b Sr. Beroep op niet ontvankelijkheid OM in vervolging, nu deel van de onder verdachte inbeslaggenomen administratie in het ongerede is geraakt, art. 359a Sv en art. 6 EVRM. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft verweer verworpen, omdat geen sprake is van “ongelijk speelveld” en recht van verdachte op eerlijk proces niet is tekortgedaan. Hiermee heeft hof tot uitdrukking gebracht dat door het vermoedelijk in het ongerede geraakt zijn van deel van administratie die onder verdachte in beslag is genomen, niet zodanig ernstige inbreuk op recht van verdachte op eerlijke behandeling van haar zaak is gemaakt dat (“the proceedings as a whole” genomen) geen sprake meer kan zijn van eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Gelet hierop kon hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM verwerpen op de grond dat recht van verdachte op eerlijk proces niet is tekortgedaan. Verwerping van verweer getuigt dan ook niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03298 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 augustus 2023, nummer 21-003646-15, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3. 3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 5 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:427 text/xml public 2026-04-17T10:03:31 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 23/03298 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:10 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0097 RvdW 2026/452 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:427 text/html public 2026-03-16T09:20:00 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:427 Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/03298 Witwassen van geldbedrag (€ 87.000) in zak van badjas in woning van verdachte, art. 420bis.1.b Sr. Beroep op niet ontvankelijkheid OM in vervolging, nu deel van de onder verdachte inbeslaggenomen administratie in het ongerede is geraakt, art. 359a Sv en art. 6 EVRM. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft verweer verworpen, omdat geen sprake is van “ongelijk speelveld” en recht van verdachte op eerlijk proces niet is tekortgedaan. Hiermee heeft hof tot uitdrukking gebracht dat door het vermoedelijk in het ongerede geraakt zijn van deel van administratie die onder verdachte in beslag is genomen, niet zodanig ernstige inbreuk op recht van verdachte op eerlijke behandeling van haar zaak is gemaakt dat (“the proceedings as a whole” genomen) geen sprake meer kan zijn van eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Gelet hierop kon hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM verwerpen op de grond dat recht van verdachte op eerlijk proces niet is tekortgedaan. Verwerping van verweer getuigt dan ook niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03298 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 augustus 2023, nummer 21-003646-15, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3. 3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 5 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:427 text/xml public 2026-03-20T15:23:57 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 23/03298 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:10 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0097 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:427 text/html public 2026-03-16T09:20:00 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:427 Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/03298 Witwassen van geldbedrag (€ 87.000) in zak van badjas in woning van verdachte, art. 420bis.1.b Sr. Beroep op niet ontvankelijkheid OM in vervolging, nu deel van de onder verdachte inbeslaggenomen administratie in het ongerede is geraakt, art. 359a Sv en art. 6 EVRM. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft verweer verworpen, omdat geen sprake is van “ongelijk speelveld” en recht van verdachte op eerlijk proces niet is tekortgedaan. Hiermee heeft hof tot uitdrukking gebracht dat door het vermoedelijk in het ongerede geraakt zijn van deel van administratie die onder verdachte in beslag is genomen, niet zodanig ernstige inbreuk op recht van verdachte op eerlijke behandeling van haar zaak is gemaakt dat (“the proceedings as a whole” genomen) geen sprake meer kan zijn van eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Gelet hierop kon hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM verwerpen op de grond dat recht van verdachte op eerlijk proces niet is tekortgedaan. Verwerping van verweer getuigt dan ook niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03298 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 augustus 2023, nummer 21-003646-15, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3. 3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 5 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .