Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:HR:2026:380
Strafrecht
Cassatie
3,335 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:380 text/xml public 2026-03-20T16:23:32 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 23/02361 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:36 In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:1872 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0101 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:380 text/html public 2026-03-18T10:11:26 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:380 Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/02361 Oplichting via internet, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr) en witwassen van geldbedrag (art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Afwijzing van (voorwaardelijk) verzoek tot (benoemen van deskundige voor) verrichten van handtekening- en handschriftonderzoek. 2. Bewijsklacht, redengevendheid van wijzigingsformulier van kamer van koophandel voor bewijs. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft in zijn arrest geconcludeerd dat verklaring van verdachte, inhoudende dat een ander betrokken was bij tlgd., niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel is, gelet op daarvoor gegeven (uitvoerige) onderbouwing, niet onbegrijpelijk. Daarmee vervalt fundament onder verzoek. Tot nadere motivering was hof in het licht van hetgeen is aangevoerd en vastgesteld niet gehouden. Ad 2. Uit p-v van tz. in hoger beroep blijkt dat hof vragen had over ondertekeningsdatum van wijzigingsformulier van kamer van koophandel. Hof heeft die vragen met verdachte besproken. Uit hetgeen op die zitting is besproken blijkt niet dat hof het wijzigingsformulier met ondertekeningsdatum 12-7-2017 onbetrouwbaar heeft geacht. Hof heeft enkel geconstateerd dat zich bij brief van verdachte een wijzigingsformulier bevindt dat is ondertekend op 12-7-2017 en dat zich bij brief van raadsvrouw een formulier bevindt dat is ondertekend op 12-6-2017. Hof heeft vervolgens vastgesteld dat in de door verdachte ttz. in h.b. aan hof overgelegde map beide wijzigingsformulieren in dezelfde volgorde zijn opgenomen. Volgt verwerping. Samenhang met 23/03376 P. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/02361 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2023, nummer 20-000859-20, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F. van Baarlen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen 2.1 Het eerste cassatiemiddel klaagt over de afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging tot benoeming van een deskundige (op het gebied van handtekeningen- en handschriftvergelijking). Het tweede cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 2.2 De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 en 4. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:380 text/xml public 2026-04-17T10:03:32 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 23/02361 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:36 In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:1872 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0101 RvdW 2026/451 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:380 text/html public 2026-03-18T10:11:26 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:380 Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/02361 Oplichting via internet, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr) en witwassen van geldbedrag (art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Afwijzing van (voorwaardelijk) verzoek tot (benoemen van deskundige voor) verrichten van handtekening- en handschriftonderzoek. 2. Bewijsklacht, redengevendheid van wijzigingsformulier van kamer van koophandel voor bewijs. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft in zijn arrest geconcludeerd dat verklaring van verdachte, inhoudende dat een ander betrokken was bij tlgd., niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel is, gelet op daarvoor gegeven (uitvoerige) onderbouwing, niet onbegrijpelijk. Daarmee vervalt fundament onder verzoek. Tot nadere motivering was hof in het licht van hetgeen is aangevoerd en vastgesteld niet gehouden. Ad 2. Uit p-v van tz. in hoger beroep blijkt dat hof vragen had over ondertekeningsdatum van wijzigingsformulier van kamer van koophandel. Hof heeft die vragen met verdachte besproken. Uit hetgeen op die zitting is besproken blijkt niet dat hof het wijzigingsformulier met ondertekeningsdatum 12-7-2017 onbetrouwbaar heeft geacht. Hof heeft enkel geconstateerd dat zich bij brief van verdachte een wijzigingsformulier bevindt dat is ondertekend op 12-7-2017 en dat zich bij brief van raadsvrouw een formulier bevindt dat is ondertekend op 12-6-2017. Hof heeft vervolgens vastgesteld dat in de door verdachte ttz. in h.b. aan hof overgelegde map beide wijzigingsformulieren in dezelfde volgorde zijn opgenomen. Volgt verwerping. Samenhang met 23/03376 P. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/02361 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2023, nummer 20-000859-20, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F. van Baarlen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen 2.1 Het eerste cassatiemiddel klaagt over de afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging tot benoeming van een deskundige (op het gebied van handtekeningen- en handschriftvergelijking). Het tweede cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 2.2 De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 en 4. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:380 text/xml public 2026-03-20T16:23:32 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 23/02361 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:36 In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:1872 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0101 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:380 text/html public 2026-03-18T10:11:26 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:380 Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/02361 Oplichting via internet, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr) en witwassen van geldbedrag (art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Afwijzing van (voorwaardelijk) verzoek tot (benoemen van deskundige voor) verrichten van handtekening- en handschriftonderzoek. 2. Bewijsklacht, redengevendheid van wijzigingsformulier van kamer van koophandel voor bewijs. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft in zijn arrest geconcludeerd dat verklaring van verdachte, inhoudende dat een ander betrokken was bij tlgd., niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel is, gelet op daarvoor gegeven (uitvoerige) onderbouwing, niet onbegrijpelijk. Daarmee vervalt fundament onder verzoek. Tot nadere motivering was hof in het licht van hetgeen is aangevoerd en vastgesteld niet gehouden. Ad 2. Uit p-v van tz. in hoger beroep blijkt dat hof vragen had over ondertekeningsdatum van wijzigingsformulier van kamer van koophandel. Hof heeft die vragen met verdachte besproken. Uit hetgeen op die zitting is besproken blijkt niet dat hof het wijzigingsformulier met ondertekeningsdatum 12-7-2017 onbetrouwbaar heeft geacht. Hof heeft enkel geconstateerd dat zich bij brief van verdachte een wijzigingsformulier bevindt dat is ondertekend op 12-7-2017 en dat zich bij brief van raadsvrouw een formulier bevindt dat is ondertekend op 12-6-2017. Hof heeft vervolgens vastgesteld dat in de door verdachte ttz. in h.b. aan hof overgelegde map beide wijzigingsformulieren in dezelfde volgorde zijn opgenomen. Volgt verwerping. Samenhang met 23/03376 P. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/02361 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2023, nummer 20-000859-20, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F. van Baarlen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen 2.1 Het eerste cassatiemiddel klaagt over de afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging tot benoeming van een deskundige (op het gebied van handtekeningen- en handschriftvergelijking). Het tweede cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 2.2 De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 en 4. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .