Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-03
ECLI:NL:HR:2026:325
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,530 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:325 text/xml public 2026-04-03T10:08:50 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-03 24/03905 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:13 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:2936 Rechtspraak.nl RvdW 2026/406 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:325 text/html public 2026-03-02T13:48:31 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:325 Hoge Raad , 03-03-2026 / 24/03905 Jeugdzaak. Mishandeling door tijdens voetbalwedstrijd een speler uit team van tegenpartij 2 keer tegen zijn hoofd te slaan, art. 300.1 Sr. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat belastende verklaringen onbetrouwbaar zijn omdat zij tot stand zijn gekomen na onderling overleg en (ook) over ander incident dan tlgd. is verklaard, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsklacht alternatief scenario dat verdachte zich uit nekklem los moest worstelen en uit escalatie is gegaan, waarbij hij aangever zou hebben geraakt. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03905 J Datum 3 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 oktober 2024, nummer 22-001466-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:325 text/xml public 2026-04-03T10:08:50 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-03 24/03905 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:13 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:2936 Rechtspraak.nl RvdW 2026/406 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:325 text/html public 2026-03-02T13:48:31 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:325 Hoge Raad , 03-03-2026 / 24/03905 Jeugdzaak. Mishandeling door tijdens voetbalwedstrijd een speler uit team van tegenpartij 2 keer tegen zijn hoofd te slaan, art. 300.1 Sr. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat belastende verklaringen onbetrouwbaar zijn omdat zij tot stand zijn gekomen na onderling overleg en (ook) over ander incident dan tlgd. is verklaard, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsklacht alternatief scenario dat verdachte zich uit nekklem los moest worstelen en uit escalatie is gegaan, waarbij hij aangever zou hebben geraakt. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03905 J Datum 3 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 oktober 2024, nummer 22-001466-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2026 .