Rechtspraak
Hoge Raad
2025-12-19
ECLI:NL:HR:2025:1951
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
2,657 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04392
Datum 19 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 september 2023, nrs. 21/01131 en 21/01132 op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nrs. AMS 20/3332 en AMS 20/3333) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2017 en 2018.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2De heffing van griffierecht in cassatie
2.1
Van belanghebbende is door de griffier van de Hoge Raad griffierecht geheven voor de behandeling van het beroep in cassatie. Van belanghebbende is door de griffier eveneens griffierecht geheven voor de behandeling van het beroep in cassatie met zaaknummer 23/04390. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd vanwege de volgens belanghebbende aanwezige samenhang tussen beide zaken.
2.2
Voor een beperking van het voor de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb is vereist dat de zaken niet alleen wat betreft de inhoud maar ook in tijd samenhangen en dat de beroepen in cassatie zijn ingesteld door dezelfde belanghebbende door middel van één beroepschrift in cassatie. Aan deze vereisten is niet voldaan. De Hoge Raad ziet dan ook geen aanleiding de griffier op te dragen het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep in cassatie van een van beide zaken, aan belanghebbende terug te betalen.
Beoordeling
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560, rechtsoverwegingen 3.3.4 en 3.3.5.
Volledig
ECLI:NL:HR:2025:1951 text/xml public 2026-02-27T11:24:02 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-12-19 23/04392 Uitspraak Cassatie Artikel 80a RO-zaken NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2025121912 FutD 2025-2494 NTFR 2026/74 NLF 2026/0068 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1951 text/html public 2025-12-18T14:31:54 2025-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:1951 Hoge Raad , 19-12-2025 / 23/04392 Artikel 8:41, lid 3, Awb; de heffing van griffierecht in cassatie; volstaat het heffen van eenmaal griffierecht voor twee procedures? HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/04392 Datum 19 december 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 september 2023, nrs. 21/01131 en 21/01132 op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nrs. AMS 20/3332 en AMS 20/3333) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2017 en 2018. 1 Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 De heffing van griffierecht in cassatie 2.1 Van belanghebbende is door de griffier van de Hoge Raad griffierecht geheven voor de behandeling van het beroep in cassatie. Van belanghebbende is door de griffier eveneens griffierecht geheven voor de behandeling van het beroep in cassatie met zaaknummer 23/04390. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd vanwege de volgens belanghebbende aanwezige samenhang tussen beide zaken. 2.2 Voor een beperking van het voor de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb is vereist dat de zaken niet alleen wat betreft de inhoud maar ook in tijd samenhangen en dat de beroepen in cassatie zijn ingesteld door dezelfde belanghebbende door middel van één beroepschrift in cassatie. Aan deze vereisten is niet voldaan. De Hoge Raad ziet dan ook geen aanleiding de griffier op te dragen het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep in cassatie van een van beide zaken, aan belanghebbende terug te betalen. 3 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 5 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025. HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560, rechtsoverwegingen 3.3.4 en 3.3.5.
Volledig
ECLI:NL:HR:2025:1951 text/xml public 2026-02-27T11:24:02 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-12-19 23/04392 Uitspraak Cassatie Artikel 80a RO-zaken NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2025121912 FutD 2025-2494 NTFR 2026/74 NLF 2026/0068 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1951 text/html public 2025-12-18T14:31:54 2025-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:1951 Hoge Raad , 19-12-2025 / 23/04392 Artikel 8:41, lid 3, Awb; de heffing van griffierecht in cassatie; volstaat het heffen van eenmaal griffierecht voor twee procedures? HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/04392 Datum 19 december 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 september 2023, nrs. 21/01131 en 21/01132 op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nrs. AMS 20/3332 en AMS 20/3333) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2017 en 2018. 1 Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 De heffing van griffierecht in cassatie 2.1 Van belanghebbende is door de griffier van de Hoge Raad griffierecht geheven voor de behandeling van het beroep in cassatie. Van belanghebbende is door de griffier eveneens griffierecht geheven voor de behandeling van het beroep in cassatie met zaaknummer 23/04390. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd vanwege de volgens belanghebbende aanwezige samenhang tussen beide zaken. 2.2 Voor een beperking van het voor de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb is vereist dat de zaken niet alleen wat betreft de inhoud maar ook in tijd samenhangen en dat de beroepen in cassatie zijn ingesteld door dezelfde belanghebbende door middel van één beroepschrift in cassatie. Aan deze vereisten is niet voldaan. De Hoge Raad ziet dan ook geen aanleiding de griffier op te dragen het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep in cassatie van een van beide zaken, aan belanghebbende terug te betalen. 3 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 5 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025. HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560, rechtsoverwegingen 3.3.4 en 3.3.5.