Rechtspraak
Hoge Raad
2025-12-16
ECLI:NL:HR:2025:1931
Strafrecht
Cassatie
3,959 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03742 P
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 september 2023, nummer 21-005390-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de betrokkene.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, vermindering van het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 18.879,24 bedraagt en verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Beoordeling
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van kosten voor 88 hennepplanten, terwijl voor de opbrengst is uitgegaan van 92 hennepplanten.
2.2
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. Door een vergissing is namelijk, zoals in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 is uiteengezet, bij de berekening van de kosten van 88 in plaats van 92 hennepplanten uitgegaan. Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom € 61,52 lager worden vastgesteld. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door het bedrag van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting te verminderen tot € 18.879,24.
2.3
Opmerking verdient nog dat een kennelijke misslag als deze zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf. Het gaat immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. Wanneer in zo’n geval zekerheidshalve – naast het doen van het verzoek om een herstelarrest – ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen.
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 23/03740, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)
Dictum
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting;
- vermindert het bedrag van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 18.879,24 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.
Volledig
ECLI:NL:HR:2025:1931 text/xml public 2026-02-06T10:07:29 2025-12-14 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-12-16 23/03742 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1053 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2025-0400 RvdW 2026/162 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1931 text/html public 2025-12-16T14:23:16 2025-12-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:1931 Hoge Raad , 16-12-2025 / 23/03742 Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Motivering schatting w.v.v. Is hof bij berekening w.v.v. uitgegaan van juist aantal hennepplanten? Door vergissing is, zoals in CAG is uiteengezet, bij berekening van kosten van 88 i.p.v. 92 hennepplanten uitgegaan. W.v.v. moet daarom € 61,52 lager worden vastgesteld. HR merkt op dat kennelijke misslag als deze zich bij uitstek leent voor herstel door hof zelf. Het gaat immers om onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door rechters die op zaak hebben gezeten overeenkomstig HR:2010:BJ7243 en HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. Wanneer in zo’n geval zekerheidshalve (naast verzoek om herstelarrest) ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep middel worden ingetrokken zodra herstelarrest is gewezen. HR doet zaak zelf af door schatting w.v.v. en betalingsverplichting te verminderen tot € 18.879,24. Samenhang met 23/03740. CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (gebrek in schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van cassatieberoep van advocaat aan griffiemedewerker hof). HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03742 P Datum 16 december 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 september 2023, nummer 21-005390-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, vermindering van het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 18.879,24 bedraagt en verwerping van het cassatieberoep voor het overige. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van kosten voor 88 hennepplanten, terwijl voor de opbrengst is uitgegaan van 92 hennepplanten. 2.2 Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. Door een vergissing is namelijk, zoals in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 is uiteengezet, bij de berekening van de kosten van 88 in plaats van 92 hennepplanten uitgegaan. Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom € 61,52 lager worden vastgesteld. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door het bedrag van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting te verminderen tot € 18.879,24. 2.3 Opmerking verdient nog dat een kennelijke misslag als deze zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf. Het gaat immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. Wanneer in zo’n geval zekerheidshalve – naast het doen van het verzoek om een herstelarrest – ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 23/03740, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.) 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting; - vermindert het bedrag van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 18.879,24 bedraagt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2025:1931 text/xml public 2026-02-06T10:07:29 2025-12-14 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-12-16 23/03742 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1053 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2025-0400 RvdW 2026/162 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1931 text/html public 2025-12-16T14:23:16 2025-12-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:1931 Hoge Raad , 16-12-2025 / 23/03742 Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Motivering schatting w.v.v. Is hof bij berekening w.v.v. uitgegaan van juist aantal hennepplanten? Door vergissing is, zoals in CAG is uiteengezet, bij berekening van kosten van 88 i.p.v. 92 hennepplanten uitgegaan. W.v.v. moet daarom € 61,52 lager worden vastgesteld. HR merkt op dat kennelijke misslag als deze zich bij uitstek leent voor herstel door hof zelf. Het gaat immers om onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door rechters die op zaak hebben gezeten overeenkomstig HR:2010:BJ7243 en HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. Wanneer in zo’n geval zekerheidshalve (naast verzoek om herstelarrest) ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep middel worden ingetrokken zodra herstelarrest is gewezen. HR doet zaak zelf af door schatting w.v.v. en betalingsverplichting te verminderen tot € 18.879,24. Samenhang met 23/03740. CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (gebrek in schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van cassatieberoep van advocaat aan griffiemedewerker hof). HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03742 P Datum 16 december 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 september 2023, nummer 21-005390-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, vermindering van het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 18.879,24 bedraagt en verwerping van het cassatieberoep voor het overige. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van kosten voor 88 hennepplanten, terwijl voor de opbrengst is uitgegaan van 92 hennepplanten. 2.2 Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. Door een vergissing is namelijk, zoals in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 is uiteengezet, bij de berekening van de kosten van 88 in plaats van 92 hennepplanten uitgegaan. Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom € 61,52 lager worden vastgesteld. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door het bedrag van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting te verminderen tot € 18.879,24. 2.3 Opmerking verdient nog dat een kennelijke misslag als deze zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf. Het gaat immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. Wanneer in zo’n geval zekerheidshalve – naast het doen van het verzoek om een herstelarrest – ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 23/03740, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.) 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting; - vermindert het bedrag van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 18.879,24 bedraagt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025 .