Rechtspraak
Hoge Raad
2025-12-12
ECLI:NL:HR:2025:1901
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
2,876 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00951
Datum 12 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE WAALWIJK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 februari 2024, nr. 22/00442, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/5388) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen, in de rioolheffing, in de afvalstoffenheffing en in de hondenbelasting voor het jaar 2019, en een verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Het heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
Beoordeling
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Beoordeling
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
Wat betreft het principale beroep in cassatie van belanghebbende ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidentele beroep in cassatie van het College zal het College worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.
Dictum
De Hoge Raad:
- verklaart zowel het principale beroep in cassatie van belanghebbende als het incidentele beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk ongegrond, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
ECLI:NL:GHSHE:2024:366.
Volledig
ECLI:NL:HR:2025:1901 text/xml public 2026-01-27T10:07:17 2025-12-12 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-12-12 24/00951 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:366 Rechtspraak.nl Belastingblad 2026/63 met annotatie van Redactie http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1901 text/html public 2025-12-12T10:05:25 2025-12-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:1901 Hoge Raad , 12-12-2025 / 24/00951 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/00951 Datum 12 december 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE WAALWIJK op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 februari 2024, nr. 22/00442 , op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/5388) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen, in de rioolheffing, in de afvalstoffenheffing en in de hondenbelasting voor het jaar 2019, en een verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Het heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht. 2. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie voorgestelde middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3. Beoordeling van het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Proceskosten Wat betreft het principale beroep in cassatie van belanghebbende ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Wat betreft het incidentele beroep in cassatie van het College zal het College worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken. 5 Beslissing De Hoge Raad: - verklaart zowel het principale beroep in cassatie van belanghebbende als het incidentele beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk ongegrond, en - veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025. ECLI:NL:GHSHE:2024:366.
Volledig
ECLI:NL:HR:2025:1901 text/xml public 2026-01-27T10:07:17 2025-12-12 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-12-12 24/00951 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:366 Rechtspraak.nl Belastingblad 2026/63 met annotatie van Redactie http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1901 text/html public 2025-12-12T10:05:25 2025-12-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:1901 Hoge Raad , 12-12-2025 / 24/00951 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/00951 Datum 12 december 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE WAALWIJK op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 februari 2024, nr. 22/00442 , op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/5388) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen, in de rioolheffing, in de afvalstoffenheffing en in de hondenbelasting voor het jaar 2019, en een verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Het heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht. 2. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie voorgestelde middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3. Beoordeling van het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Proceskosten Wat betreft het principale beroep in cassatie van belanghebbende ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Wat betreft het incidentele beroep in cassatie van het College zal het College worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken. 5 Beslissing De Hoge Raad: - verklaart zowel het principale beroep in cassatie van belanghebbende als het incidentele beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk ongegrond, en - veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025. ECLI:NL:GHSHE:2024:366.