Rechtspraak
Hoge Raad
2025-12-09
ECLI:NL:HR:2025:1873
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,599 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02933
Datum 9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 juli 2024, nummer 20-001792-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat Y. Moszkowicz bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
Beoordeling
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
Dictum
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.
Volledig
ECLI:NL:HR:2025:1873 text/xml public 2026-01-30T10:02:53 2025-12-08 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-12-09 24/02933 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1269 In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:3339 Rechtspraak.nl RvdW 2026/122 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1873 text/html public 2025-12-08T15:42:33 2025-12-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:1873 Hoge Raad , 09-12-2025 / 24/02933 Onderzoek Verdejo. Medeplegen uitvoer van 44,58 kilogram amfetamine en 1,06 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet), medeplegen uitvoer van 144,73 kilogram hasj (art. 3.A Opiumwet), medeplegen aanwezig hebben van hennep, meermalen gepleegd (art. 3.C Opiumwet) en deelname aan criminele organisatie die gericht is op grootschalige handel in en uitvoer van hennep en hasj (art. 11b.1 jo. 11.3 en 11.5 Opiumwet). 1. Kon hof vordering tot nadere omschrijving van tll. a.b.i. art. 314a Sv, waarmee deelname aan criminele organisatie aan tll. is toegevoegd, “accepteren” gelet op verweer dat eerdere dagvaarding een definitieve tll. betrof? 2. Verweer dat Rb na toewijzing van vordering conform art. 314.2 Sv tot schorsing van onderzoek had moeten overgegaan. 3. Kon hof oordelen dat procedure in haar geheel voldoet aan recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM, aangezien sprake is van schending van ondervragingsrecht, nu medeverdachte zich bij zijn verhoor door Rh-C heeft beroepen op zijn verschoningsrecht? 4. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan, ttz. in hoger beroep gehandhaafd en op nadere tz. in h.b. herhaald verzoek tot horen van (andere) medeverdachten als getuigen, op de grond dat verdediging niet in enig belang is geschaad door afwijzing van verzoek (ttz. in h.b.) en noodzaak daartoe niet is gebleken (bij arrest in reactie op herhaald verzoek). 5. Kon hof oordelen dat machtiging ex art. 126g Sv niet was vereist, nu geen sprake was van stelselmatige observatie? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02940, 24/02974, 24/02982 en 24/03275 P. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02933 Datum 9 december 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 juli 2024, nummer 20-001792-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat Y. Moszkowicz bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025 .