Rechtspraak
Hoge Raad
2025-10-07
ECLI:NL:HR:2025:1489
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
390 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01291 U
Datum 7 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 maart 2025, nummer UTL-I-2023047164, op verzoek van het Koninkrijk Marokko tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de opgeëiste persoon.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat M. Broere bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Beoordeling
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Dictum
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2025.