Rechtspraak
Hoge Raad
2024-02-13
ECLI:NL:HR:2024:168
Strafrecht
Cassatie
601 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00824
Datum 13 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 februari 2023, nummer 21-003136-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Beoordeling
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het beroep dat namens de verdachte is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2023 heeft de raadsman van de verdachte daar onder meer het volgende aangevoerd:
“Cliënt heeft geen noemenswaardige documentatie. Er is sprake van een oud feit, een overschrijding van de redelijke termijn en ik verzoek het hof ook rekening te houden met de voorwaardelijke invrijheidsstelling.”
2.3
Het hof heeft wat de raadsman heeft aangevoerd kennelijk niet opgevat als een verweer waarop uitdrukkelijk een beslissing moet worden gegeven. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, nu de raadsman alleen heeft gesteld dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, maar niet heeft aangevoerd op welke gronden de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zou zijn overschreden. (Vgl. HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:45.)
2.4
Het cassatiemiddel faalt.
Dictum
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2024.