Rechtspraak
Hoge Raad
2023-03-17
ECLI:NL:HR:2023:408
Civiel recht; Internationaal privaatrecht
Cassatie
4,850 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 21/04458
Datum 17 maart 2023
ARREST
In de zaak van
[eiseres] KFT.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Hongarije,
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres] ,
advocaat: F.M. Dekker,
tegen
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] , Hongarije,
2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] , Hongarije,
3. [verweerder 3] ,
wonende te [woonplaats] , Hongarije,
4. [verweerder 4] ,
wonende te [woonplaats] , Hongarije,
5. [verweerder 5] ,
wonende te [woonplaats] , Hongarije,
6. [verweerder 6] ,
wonende te [woonplaats] , Hongarije,
7. [verweerder 7] ,
wonende te [woonplaats] , Hongarije,
8. [verweerder 8] ,
wonende te [woonplaats] , Hongarije,
9. [verweerder 9] ,
wonende te [woonplaats] , Hongarije,
10. [verweerder 10] ,
wonende te [woonplaats] , Hongarije,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [verweerders] ,
advocaat: S.F. Sagel.
Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 2912554/417 van de kantonrechter te ʼs-Hertogenbosch van 8 januari 2015;
b. het arrest in de zaak 200.168.333/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 mei 2017;
c. het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2165;
d. het arrest in de zaak 200.254.668/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 juli 2021.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [verweerders] mede door A.L. Koster.De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging en verwijzing.De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerders] zijn werkzaam als internationaal vrachtwagenchauffeur.
(ii) [Het Nederlandse transportbedrijf] B.V. (hierna: [Het Nederlandse transportbedrijf] ) oefent vanuit [plaats] een transportonderneming uit. [Het Nederlandse transportbedrijf] en [eiseres] (een vennootschap naar Hongaars recht) zijn zusterondernemingen. [de bestuurder en aandeelhouder] is bestuurder en aandeelhouder van [Het Nederlandse transportbedrijf] en van [eiseres] .
(iii) Zowel [Het Nederlandse transportbedrijf] als [eiseres] maakt op het gebied van planning, orderverwerking, administratie, ICT en ‘quality’ gebruik van [B] B.V.
(iv) [Het Nederlandse transportbedrijf] is lid van de Vereniging Goederenvervoer Nederland. Deze vereniging heeft met FNV de cao Goederenvervoer gesloten, laatstelijk (voor zover in deze procedure van belang) per 1 januari 2012. Deze cao heeft een looptijd tot en met 31 december 2013 en is niet algemeen verbindend verklaard. De cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en verhuur mobiele kranen (hierna: cao Beroepsgoederenvervoer) is met ingang van 31 januari 2013 tot en met 31 december 2013 algemeen verbindend verklaard.
(v) [verweerders] hebben schriftelijke arbeidsovereenkomsten met [eiseres] gesloten. Deze arbeidsovereenkomsten bevatten geen rechtskeuze. De basisarbeidsvoorwaarden uit de cao Beroepsgoederenvervoer worden niet op [verweerders] toegepast en evenmin de financiële arbeidsvoorwaarden van het Nederlandse arbeidsrecht.
(vi) [verweerders] hebben in november 2013 aanspraak gemaakt op betaling van loon conform de hiervoor onder (iv) genoemde cao’s. Kort daarna heeft [eiseres] [verweerders] bericht dat zij tot en met 24 februari 2014 niet meer zullen worden opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden.
(vii) Bij brief van 11 februari 2014 heeft [eiseres] het dienstverband met [verweerders] met onmiddellijke ingang beëindigd.
2.2
In deze procedure vorderen [verweerders] , verkort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, veroordeling van [eiseres] tot betaling aan [verweerders] van achterstallige salarissen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van art. 7:625 BW en de wettelijke rente over deze bedragen, alsmede tot het verstrekken van gegevens waaruit de door [verweerders] gewerkte tijd op eenvoudige wijze kan worden afgeleid, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Zij hebben daaraan, verkort weergegeven, ten grondslag gelegd dat [eiseres] gehouden is Nederlandse arbeidsvoorwaarden toe te passen en Nederlands loon aan [verweerders] te betalen op grond van art. 6 EVO, dan wel op grond van art. 8 Verordening Rome I. Verder hebben zij zich beroepen op de Detacheringsrichtlijn.
2.3
De kantonrechter heeft in haar tussenvonnis overwogen dat – ongeacht welk recht op de arbeidsovereenkomsten van toepassing is – op grond van de Detacheringsrichtlijn de basisarbeidsvoorwaarden die in het land van detachering gelden op grond van de wet of algemeen verbindend verklaarde cao, van toepassing zijn indien deze voor de werknemer gunstiger zijn.
2.4
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het hiervoor in 2.3 genoemde tussenvonnis vernietigd en de zaak naar de kantonrechter teruggewezen. Naar het oordeel van dat hof is Hongaars recht van toepassing op de arbeidsovereenkomsten, zijnde het recht van het gewoonlijke werkland van [verweerders] , althans het land waarmee de arbeidsovereenkomsten het nauwst verbonden zijn. Verder oordeelde dat hof dat de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is.
2.5
De Hoge Raad heeft het hiervoor in 2.4 genoemde arrest vernietigd. Daartoe heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof heeft verzuimd om in zijn beoordeling elk van de gezichtspunten te betrekken die volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) met name in aanmerking moeten worden genomen bij het vaststellen van het gewoonlijke werkland (rov. 3.5.2). Ook het oordeel van het hof dat Hongarije het land is waarmee de arbeidsovereenkomsten nauwer verbonden zijn, geeft naar het oordeel van de Hoge Raad blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onvoldoende gemotiveerd (rov. 3.5.5 en 3.5.6). De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) ter verdere beoordeling en beslissing.
2.6.1
Het hof heeft het hiervoor in 2.3 bedoelde tussenvonnis van de kantonrechter onder aanpassing van gronden bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Oost-Brabant voor verdere berechting.
2.6.2
Het hof is tot het oordeel gekomen dat op de arbeidsovereenkomsten Nederlands recht van toepassing is, omdat Nederland als het gewoonlijke werkland in de zin van art. 6 lid 2 EVO dan wel art. 8 lid 2 Verordening Rome I moet worden aangemerkt. Het hof heeft daartoe (in rov. 3.13) de gezichtspunten genoemd die bij die beoordeling van belang zijn en daarover vervolgens, samengevat, als volgt geoordeeld:
(i) De transportopdrachten van [verweerders] werden vanuit Nederland uitgevoerd, omdat hun serie vervoersopdrachten daar in de meeste gevallen begon en eindigde. Dat [verweerders] door [eiseres] betaald werden voor hun reis vanuit hun woonplaats in Hongarije naar Nederland en terug, maakt niet dat de opdrachten in Hongarije begonnen. (rov. 3.14-3.16)
(ii) De opdrachten voor het werk werden vanuit Nederland verstrekt, omdat de planning van de transporten in Nederland plaatsvond en de instructies over de transportopdracht (laad- en losadressen) vanuit Nederland gegeven werden, rechtstreeks aan de desbetreffende chauffeur. Ook een aantal algemene zaken werd vanuit de in Nederland gevestigde [B] B.V., respectievelijk door de in [plaats] wonende en werkende HRM-medewerkster geregeld. (rov. 3.17)
(iii) De arbeidsinstrumenten, in dit geval de vrachtwagens waarmee [verweerders] hun transportopdrachten verrichtten, werden aan hen in Nederland ter beschikking gesteld (rov. 3.18).
(iv) Met betrekking tot de vraag waar het vervoer hoofdzakelijk werd verricht, is van belang dat [verweerders] hoofdzakelijk transportopdrachten in Noord-West Europa verrichtten. 18,6 % van het aantal gereden kilometers is binnen Nederland gereden. Het is niet gebleken dat [verweerders] hun transportopdrachten hoofdzakelijk in één ander land in Europa uitvoerden. Het aantal kilometers dat zij in Hongarije reden was in de desbetreffende periode verwaarloosbaar klein. (rov. 3.19)
(v) De vervoerde goederen werden op diverse plaatsen in (Noord-West) Europa gelost, meestal buiten Nederland en blijkens de overgelegde gegevens nooit in Hongarije (rov. 3.20).
Het hof is (in rov. 3.21) tot de slotsom gekomen dat een aantal van de besproken gezichtspunten, waar het de organisatie van de transportopdrachten betreft, duidelijk naar Nederland wijst als het gewoonlijke werkland.
Beoordeling
3.1.1
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 3.13-3.21 van het bestreden arrest, waarin het hof tot het oordeel is gekomen dat Nederland als het gewoonlijke werkland van [verweerders] moet worden aangemerkt. Het onderdeel klaagt, kort gezegd, over de gezichtspunten die het hof in zijn oordeelsvorming heeft betrokken en over de wijze waarop het hof deze gezichtspunten heeft beoordeeld.
3.1.2
Het onderdeel heeft betrekking op het criterium van het gewoonlijke werkland als bedoeld in art. 6 lid 2 EVO en art. 8 lid 2 Verordening Rome I, en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het HvJEU. In het arrest Koelzsch heeft het HvJEU een op de vervoerssector toegesneden toetsingskader geformuleerd. In rov. 3.4.6 van zijn hiervoor in 2.5 genoemde arrest heeft de Hoge Raad dat toetsingskader als volgt weergegeven. Het criterium van het gewoonlijke werkland wordt aldus verstaan dat het gaat om het land “waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult” (arrest Koelzsch, punt 50). Om vast te stellen in of vanuit welk land de werknemer het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult, dient de rechter “met name” te onderzoeken in welk land zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden; verder moet de rechter nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert (arrest Koelzsch, punt 49). Deze door het HvJEU gegeven opsomming van gezichtspunten is niet limitatief. De rechter moet immers rekening houden met “alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken” (arrest Koelzsch, punten 48 en 50). Wel komt veel gewicht toe aan de gezichtspunten die volgens het HvJEU “met name” moeten worden onderzocht. De rechter dient in elk geval die door het HvJEU genoemde gezichtspunten in zijn beoordeling te betrekken.
3.2.1
Onderdeel 1.4 is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 3.17) dat gewicht toekomt aan de omstandigheid dat de instructies voor de transportopdrachten vanuit [plaats] werden gegeven en dat het werk vanuit [plaats] werd georganiseerd. Volgens het onderdeel is het hof hiermee uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat niet bepalend is van waaruit de werkgever instructies verstrekt en het werk organiseert. Bepalend is waar de werknemer zijn instructies ontvangt en waar hij zijn werk organiseert, aldus de klacht.
3.2.2
Niet voor redelijke twijfel is vatbaar dat het HvJEU in de zaken Voogsgeerd en Ryanair zijn overwegingen in het arrest Koelzsch aldus heeft gepreciseerd dat de nationale rechter onder meer moet vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt waar de werknemer instructies voor zijn opdrachten ontvangt en waar hij zijn werk organiseert.Onderdeel 1.4 klaagt dan ook terecht dat het hof heeft miskend dat niet van belang is vanuit welke plaats de werkgever de instructies voor de transportopdrachten verstrekte of vanuit welke plaats de werkgever het werk organiseerde, maar dat het aankomt op de plaats waar de chauffeurs de instructies voor hun opdrachten ontvingen en waar zij hun werk organiseerden.
3.3.1
De onderdelen 1.8 en 1.9 zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat de drie in rov. 3.21 genoemde aspecten (zie hiervoor in 2.6.2 onder (a)-(c)) meer wijzen op Nederland als het gewoonlijke werkland.
3.3.2
Onderdeel 1.8 en onderdeel 1.9, onder b, d en f, klagen terecht dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom deze drie aspecten zijn aan te merken als ‘elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken’ als bedoeld in de rechtspraak van het HvJEU (zie hiervoor in 3.1.2), en waarom die aspecten meer wijzen op Nederland als het gewoonlijke werkland.
3.3.3
Ook de motiveringsklacht van onderdeel 1.9, onder c, slaagt. [verweerders] hebben in feitelijke instanties onder meer betoogd dat vakantiebriefjes in [plaats] ingeleverd moesten worden. [eiseres] heeft ter weerlegging daarvan onder meer aangevoerd dat vakantieaanvragen bij [eiseres] moesten worden ingediend, maar dat de daarvoor bedoelde formulieren incidenteel bij andere entiteiten binnen het [eiseres] -concern konden worden ingeleverd waarna zij naar [eiseres] werden doorgezonden. Zij heeft verder aangevoerd dat ziekmeldingen conform de Hongaarse wetgeving bij [eiseres] geschiedden. Gelet hierop kon het hof niet zonder nadere motivering tot de vaststelling komen dat ziekmeldingen en verlofaanvragen van Hongaarse chauffeurs (ook) plaatsvonden bij [Het Nederlandse transportbedrijf] .
3.3.4
De overige klachten van onderdeel 1.9 falen. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.4
Het vorenstaande brengt mee dat het oordeel van het hof dat Nederland als het gewoonlijke werkland moet worden aangemerkt, niet in stand kan blijven. De overige klachten van onderdeel 1 behoeven geen behandeling.
3.5.1
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.22-3.23 van het bestreden arrest, waarin het hof tot het oordeel is gekomen dat de arbeidsovereenkomsten niet nauwer verbonden zijn met een ander land dan het gewoonlijke werkland.
3.5.2
In zijn arrest in de zaak Schlecker heeft het HvJEU uiteengezet hoe de rechter moet beoordelen of sprake is van een nauwere band met een ander land dan het gewoonlijke werkland. In de rov. 3.4.7-3.4.8 van het hiervoor in 2.5 genoemde arrest heeft de Hoge Raad dit beoordelingskader als volgt samengevat.
Bij de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het gewoonlijke werkland, dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden die de arbeidsbetrekking kenmerken, waarbij belangrijke betekenis toekomt aan de vraag in welk land de werknemer belastingen en heffingen op inkomsten uit arbeid betaalt, en in welk land hij is aangesloten bij de sociale zekerheid en de verschillende pensioen-, ziektekostenverzekerings- en invaliditeitsregelingen. Ook dient de rechter rekening te houden met omstandigheden zoals de criteria betreffende de vaststelling van het salaris en de andere arbeidsvoorwaarden (arrest Schlecker, punten 40 en 41). Het rechterlijk oordeel dat, ook al is sprake van een gewoonlijk werkland, de arbeidsovereenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land, behoeft motivering. Daaruit moet volgen waarom uit het geheel der omstandigheden blijkt van een kennelijk nauwere band met dat andere land die rechtvaardigt dat een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt van toepasselijkheid van het recht van het gewoonlijke werkland.
3.6.1
Onderdeel 2.5 klaagt over de vaststelling van het hof dat [Het Nederlandse transportbedrijf] feitelijk het loon vaststelde.
3.6.2
Deze klacht treft doel. De vaststelling van het hof dat [Het Nederlandse transportbedrijf] feitelijk het loon vaststelde, berust blijkens rov. 3.23 onder meer op de door het hof in rov. 3.21 genoemde omstandigheid dat ziekmeldingen van de Hongaarse chauffeurs (ook) bij [Het Nederlandse transportbedrijf] plaatsvonden. De tegen laatstgenoemde omstandigheid gerichte klacht slaagt (zie hiervoor in 3.3.3), zodat reeds daarom de daarop voortbouwende vaststelling in rov. 3.23 evenmin in stand kan blijven.
3.7.1
Onderdeel 2.6 klaagt dat het hof (in rov.
Dictum
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 juli 2021;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 964,20 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 17 maart 2023.
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Rome, 19 juni 1980, Trb. 1980, 156, PbEG 1980, L 266/1.
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), PbEU 2008, L 177/6.
Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, PbEG 1997, L 18/1.
Rechtbank Oost-Brabant 8 januari 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:18.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 mei 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1874.
HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2165.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7206.
HvJEU 15 maart 2011, zaak C-29/10, ECLI:EU:C:2011:151, punt 47-50.
HvJEU 15 december 2011, zaak C‑384/10, ECLI:EU:C:2011:842, punt 39.
HvJEU 14 september 2017, gevoegde zaken C‑168/16 en C‑169/16, ECLI:EU:C:2017:688, punt 63.
HvJEU 12 september 2013, zaak C‑64/12, ECLI:EU:C:2013:551.