Rechtspraak
Hoge Raad
2023-11-14
ECLI:NL:HR:2023:1557
Strafrecht
Cassatie
570 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02971
Datum 14 november 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 augustus 2022, nummer 23-002921-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Beoordeling
2.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat de bewezenverklaring van feit 1 onder A en B ten aanzien van het toebehoren van het weg te nemen geld en/of goederen aan een ander dan aan de verdachte en zijn mededaders, namelijk aan [betrokkene 1] , niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 10 en 13 tot en met 15.
Beoordeling
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing die het hof in hoger beroep heeft genomen over de voorlopige hechtenis.
3.2
De verdachte mist om de navolgende reden het vereiste belang bij een bespreking van deze klacht. Het eerste cassatiemiddel slaagt niet, terwijl op grond van artikel 6:2:2, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering de door het hof opgelegde gevangenisstraf zal ingaan op de dag van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij zal dan de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering worden gebracht. (Vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7369 en HR 9 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1662.)
Dictum
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2023.