Rechtspraak
Hoge Raad
2022-09-30
ECLI:NL:HR:2022:1353
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
438 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/03044
Datum 30 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juni 2021, nrs. 21/395 AOW en 21/1369 AOW, op het hoger beroep van de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. 18/2728) betreffende besluiten van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
Beoordeling
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2022.
ECLI:NL:CRVB:2021:1333.