Rechtspraak
Hoge Raad
2021-06-01
ECLI:NL:HR:2021:790
Strafrecht
Cassatie
965 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/00567
Datum 1 juni 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2020, nummer 21-005103-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen inzake het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Beoordeling
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het onder 4 bewezenverklaarde, kort gezegd: het “verbergen of verhullen” van “de herkomst” van uit enig misdrijf afkomstige geldbedragen als bedoeld in artikel 420bis lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat hij:
“(...) op 6 april 2018 te [plaats], van een voorwerp, te weten een (grote) hoeveelheid geld, de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij wist dat dat voorwerp ‑ onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.2.2
De bewijsvoering is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 en 6, waaronder de volgende bewijsoverwegingen:
“Op 6 april 2018 heeft een doorzoeking in de (vakantie)woning van verdachte te [plaats] plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking is een aanzienlijk geldbedrag, te weten in totaal € 94.210,-, aangetroffen in brandblussers, in een hoes/speeltunnel voor katten achter de bank en in een broekzak van een korte broek die op de grond lag.”
2.3
Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet méér kan worden afgeleid dan dat op ongebruikelijke plaatsen in de (vakantie)woning van de verdachte een grote hoeveelheid geld is aangetroffen, te weten in brandblussers, in een hoes/speeltunnel voor katten achter de bank en in een broekzak van een korte broek die op de grond lag, is de bewezenverklaring wat betreft het verbergen en verhullen van de “herkomst” van het geldbedrag, mede gelet op de wetgeschiedenis van artikel 420bis lid 1, aanhef en onder a, Sr, zoals weergegeven in HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, niet toereikend gemotiveerd.
2.4
Het cassatiemiddel slaagt.
3Bespreking van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.
Dictum
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2021.