Rechtspraak
Hoge Raad
2017-11-17
ECLI:NL:HR:2017:2886
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
385 tokens
Inleiding
17 november 2017
Nr. 17/01076
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2017, nrs. 16/3529 t/m 16/3535, 16/3537 t/m 16/3543, 16/3549, 16/3551, 16/3553 t/m 16/3562, 16/3564 en 16/3565 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 14 september 2016.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Beoordeling
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 18 december 2009, nr. 07/13596, ECLI:NL:HR:2009:BJ9626, BNB 2010/97).
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.