Rechtspraak
Hoge Raad
2015-04-10
ECLI:NL:HR:2015:858
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
2,273 tokens
Inleiding
10 april 2015
nr. 14/00554
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] GmbH te [Z], Duitsland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 24 december 2013, nrs. 12/00182 tot en met 12/00185, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 11/00755 tot en met AWB 11/00758) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Beoordeling
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
In de periode van 29 november 2006 tot en met 29 januari 2008 heeft belanghebbende 49 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van kleding (hierna: de kleding). In de aangiften is vermeld dat de kleding in aanmerking komt voor toepassing van een preferentieel tarief op de grond dat deze de oorsprong Bangladesh heeft. Ten bewijze van de oorsprong Bangladesh heeft belanghebbende bij de aangiften telkens een certificaat van oorsprong, formulier A, overgelegd. De kleding is met toepassing van het preferentiële tarief vrijgegeven voor het vrije verkeer zonder dat de bijgevoegde certificaten van oorsprong op juistheid zijn onderzocht.
2.1.2.
Het antifraudebureau van de Europese Commissie heeft in 2009 in Bangladesh onderzoek gedaan naar de geldigheid van – onder meer - de hiervoor in 2.1.1 vermelde, door de autoriteiten van Bangladesh afgegeven certificaten van oorsprong. Op basis van de bevindingen van dat onderzoek hebben de autoriteiten van Bangladesh en de Europese Commissie vastgesteld dat ten tijde van de afgifte van de certificaten de daarop vermelde exporteurs al geruime tijd geen kleding meer produceerden dan wel al geruime tijd waren opgehouden te bestaan en op die gronden geconcludeerd dat de certificaten niet kunnen dienen ten bewijze van de oorsprong Bangladesh. De Inspecteur heeft daarop ter zake van de invoer van de kleding de meer verschuldigde douanerechten bij de onderwerpelijke uitnodigingen tot betaling nagevorderd.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de uitnodigingen tot betaling zijn vastgesteld door daartoe bevoegde ambtenaren, in die zin dat deze – blijkens een door de Inspecteur overgelegd mandaatbesluit van de algemeen directeur Belastingdienst/Douane en een bij dit besluit behorend register van medewerkers - rechtsgeldig door de algemeen directeur van de Belastingdienst/Douane zijn gemandateerd om de bevoegdheid van inspecteur uit te oefenen.
2.2.2.
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de afgifte van de certificaten van oorsprong geen vergissing als bedoeld in artikel 220, lid 2, letter b, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) is geweest van de autoriteiten in Bangladesh. Daartoe achtte het Hof van belang dat deze autoriteiten de certificaten hebben afgegeven terwijl zij niet wisten of hadden moeten weten dat de kleding niet voor een preferentiële behandeling in aanmerking kwam. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de omstandigheid dat de Inspecteur bij geen van de hiervoor in 2.1.1 vermelde aangiften het overgelegde formulier A voor een nacontrole heeft gezonden naar de autoriteiten in Bangladesh evenmin een vergissing vormt als bedoeld in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW.
2.3.
Middel I, dat zich op verschillende gronden keert tegen ’s Hofs hiervoor in 2.2.1 vermelde oordeel, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (HR 13 maart 2015, nr. 13/04052, ECLI:NL:HR:2015:550, punten 2.3.2 en 2.3.3).
2.4.1.
Middel II betoogt in de eerste plaats dat de autoriteiten van Bangladesh door onjuiste certificaten af te geven vergissingen hebben gemaakt in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, tweede alinea, van het CDW.
Middel II betoogt voor het overige dat de Inspecteur bij belanghebbende het vertrouwen heeft gewekt dat de op de certificaten van oorsprong vermelde gegevens juist waren en dat (ook) hij vergissingen in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW heeft gemaakt. Daartoe voert het middel onder meer aan dat van algemene bekendheid is dat in de loop der jaren meer dan één keer fraude is vastgesteld bij de verstrekking van certificaten van oorsprong in Bangladesh. Desondanks heeft, aldus het middel, de Inspecteur bij de door belanghebbende gedane invoeraangiften gedurende een lange periode de preferentiële tarieven toegepast die gelden voor goederen met oorsprong Bangladesh, terwijl geen van de overgelegde certificaten van oorsprong door hem werden opgestuurd voor een nacontrole naar de autoriteiten van Bangladesh. Dit heeft bij belanghebbende - mede gelet op het bepaalde in artikel 94 van de Uitvoeringsverordening CDW - het vertrouwen gewekt dat dergelijke fraude niet plaats vond, aldus nog steeds het middel. Daarbij mocht, aldus het middel, belanghebbende ervan uitgaan dat ook de Europese Commissie toezicht hield op een juiste preferentiële behandeling van goederen afkomstig uit Bangladesh, en in het bijzonder toezicht zou houden op de autoriteiten van Bangladesh opdat die niet meer in hun toezicht op de afgifte van de certificaten van oorsprong zouden falen, in welke taak de Europese Commissie kennelijk tekort is geschoten.
2.4.2.
Volgens artikel 220, lid 2, letter b, eerste alinea, van het CDW wordt niet tot boeking achteraf van douanerechten overgegaan, wanneer het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet is geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. De tweede alinea bepaalt dat wanneer de preferentiële status van de goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij instanties van een derde land betrokken zijn, de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat wordt aangemerkt als een vergissing in de in de eerste alinea bedoelde zin, die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt. Volgens de derde alinea wordt de afgifte van een onjuist certificaat echter niet als een vergissing aangemerkt, wanneer het certificaat is gebaseerd op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.
2.4.3.
Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat van een vergissing in de hiervoor in 2.4.2 bedoelde zin geen sprake is wanneer de bevoegde autoriteiten die de certificaten hebben afgegeven, zijn misleid met betrekking tot de oorsprong van goederen door onjuiste verklaringen waarvan zij de geldigheid niet behoeven te controleren of te beoordelen.
Voorts is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat een belastingplichtige geen gewettigd vertrouwen in de geldigheid van certificaten van oorsprong kan baseren op het feit dat de douaneautoriteiten van een lidstaat deze voorshands hebben aanvaard, aangezien de rol van die autoriteiten bij de eerste aanvaarding geen beletsel voor latere controles vormt (zie onder meer HvJ 9 maart 2006, Beemsterboer Coldstore Services B.V., C-293/04, ECLI:EU:C:2006:162, punt 33, en aldaar aangehaalde jurisprudentie).
Het Hof van Justitie heeft met betrekking tot het gebruik van certificaten van oorsprong herhaaldelijk geoordeeld dat de marktdeelnemers in het kader van hun contractuele relaties de nodige voorzorgen dienen te nemen om zich tegen de risico’s van een procedure tot navordering te beschermen. De Unie kan, aldus het Hof van Justitie, niet de schadelijke gevolgen van het onbehoorlijk handelen van de leveranciers van de importeurs dragen, maar dat moet in een dergelijk geval de belastingschuldige doen.
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2015.