Rechtspraak
Hoge Raad
2015-11-13
ECLI:NL:HR:2015:3294
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
2,199 tokens
Inleiding
13 november 2015
nr. 12/02305
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 23 maart 2012, nr. 11/00567, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij na te melden arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.
1Geding in cassatie
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 13 december 2013, nr. 12/02305, ECLI:NL:HR:2013:BZ1671, BNB 2014/39, wordt verwezen naar dat arrest waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 18 juni 2015, D.G. Kieback, C-9/14, ECLI:EU:C:2015:406, BNB 2015/213, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
“Artikel 39, lid 2, EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat bij de heffing van inkomstenbelasting van een niet-ingezeten werknemer die zijn beroepsactiviteiten gedurende een deel van het jaar in deze lidstaat heeft uitgeoefend, weigert om aan deze werknemer, rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden, een fiscaal voordeel toe te kennen, op de grond dat, hoewel hij zijn gehele of nagenoeg gehele belastbare inkomen over dit tijdvak in deze lidstaat heeft verworven, dit inkomen niet het belangrijkste deel van zijn belastbare inkomen vormt over het betrokken jaar. De omstandigheid dat deze werknemer is vertrokken om zijn beroepsactiviteit te gaan uitoefenen in een derde staat, en niet in een andere lidstaat van de Unie, is niet van invloed op deze uitlegging.”
Zowel de Staatssecretaris als D.G. Kieback (hierna: belanghebbende) heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dat arrest.
2Nadere beoordeling van het middel
2.1.
Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat artikel 39, lid 2, EG (thans: artikel 45, lid 2, VWEU) niet meebrengt dat een lidstaat bij de heffing van inkomstenbelasting van een niet-ingezeten werknemer, rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden, een voor ingezetenen geldend fiscaal voordeel moet toekennen indien deze werknemer niet het belangrijkste deel van zijn belastbare inkomen over het gehele betrokken belastingjaar in deze lidstaat verwerft.
2.2.
Bij de in cassatie bestreden uitspraak is het Hof ervan uitgegaan dat in dit geval niet de situatie in het gehele betrokken belastingjaar in ogenschouw moet worden genomen, maar slechts die gedurende de eerste drie maanden van dat jaar. Dat oordeel berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt.
2.3.
Gelet op hetgeen onder 2.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een berekening van het belastbare inkomen van belanghebbende over het jaar 2005 met inachtneming van het vorenstaande, waarbij tevens aan de orde dient te komen of belanghebbende wenst af te zien van de bij de aangifte gemaakte keuze op grond van artikel 2.5 van de Wet IB 2001.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2015.
Volledig
ECLI:NL:HR:2015:3294 text/xml public 2026-02-06T10:12:00 2015-11-11 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2015-11-13 12/02305 Uitspraak Cassatie Uitspraak na prejudiciële beslissing NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1116, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2013/878 V-N 2013/21.9 met annotatie van Redactie Belastingadvies 2014/3.6 V-N Vandaag 2015/2421 BNB 2015/236 V-N 2015/61.14 Belastingadvies 2016/1.2 FED 2016/7 met annotatie van C. Wisman NTFR 2016/262 NTFR 2015/3024 met annotatie van mr. A.H.W. Steijn FutD 2015-2739 Viditax (FutD) 2015111301 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:3294 text/html public 2015-11-11T13:26:17 2015-11-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2015:3294 Hoge Raad , 13-11-2015 / 12/02305 Art. 45 VWEU; art. 2.5 Wet IB 2001 (tekst 2005). Zaak Kieback. Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, verwerft niet het belangrijkste deel van zijn inkomen over het hele jaar 2005 in Nederland. Schumackerrechtspraak dus niet van toepassing. Verwijzing om te onderzoeken of keuze voor toepassing art. 2.5 Wet IB 2001 voordeliger is. 13 november 2015 nr. 12/02305 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 23 maart 2012, nr. 11/00567, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij na te melden arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen. 1 Geding in cassatie Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 13 december 2013, nr. 12/02305, ECLI:NL:HR:2013:BZ1671, BNB 2014/39, wordt verwezen naar dat arrest waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen. Bij arrest van 18 juni 2015, D.G. Kieback, C-9/14, ECLI:EU:C:2015:406, BNB 2015/213, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard: “Artikel 39, lid 2, EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat bij de heffing van inkomstenbelasting van een niet-ingezeten werknemer die zijn beroepsactiviteiten gedurende een deel van het jaar in deze lidstaat heeft uitgeoefend, weigert om aan deze werknemer, rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden, een fiscaal voordeel toe te kennen, op de grond dat, hoewel hij zijn gehele of nagenoeg gehele belastbare inkomen over dit tijdvak in deze lidstaat heeft verworven, dit inkomen niet het belangrijkste deel van zijn belastbare inkomen vormt over het betrokken jaar. De omstandigheid dat deze werknemer is vertrokken om zijn beroepsactiviteit te gaan uitoefenen in een derde staat, en niet in een andere lidstaat van de Unie, is niet van invloed op deze uitlegging.” Zowel de Staatssecretaris als D.G. Kieback (hierna: belanghebbende) heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dat arrest. 2 Nadere beoordeling van het middel 2.1. Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat artikel 39, lid 2, EG (thans: artikel 45, lid 2, VWEU) niet meebrengt dat een lidstaat bij de heffing van inkomstenbelasting van een niet-ingezeten werknemer, rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden, een voor ingezetenen geldend fiscaal voordeel moet toekennen indien deze werknemer niet het belangrijkste deel van zijn belastbare inkomen over het gehele betrokken belastingjaar in deze lidstaat verwerft. 2.2. Bij de in cassatie bestreden uitspraak is het Hof ervan uitgegaan dat in dit geval niet de situatie in het gehele betrokken belastingjaar in ogenschouw moet worden genomen, maar slechts die gedurende de eerste drie maanden van dat jaar. Dat oordeel berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt. 2.3. Gelet op hetgeen onder 2.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een berekening van het belastbare inkomen van belanghebbende over het jaar 2005 met inachtneming van het vorenstaande, waarbij tevens aan de orde dient te komen of belanghebbende wenst af te zien van de bij de aangifte gemaakte keuze op grond van artikel 2.5 van de Wet IB 2001. 3 Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad: verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof, en verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest. Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2015.