Rechtspraak Hoge Raad 1999-10-12
ECLI:NL:HR:1999:AA3804
12 oktober 1999 Strafkamer nr. 112.161 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 november 1998 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1970, wonende te [woon-plaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Oosterhoek" te Grave. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 8 september 1997 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair telastegelegde en hem voorts ter zake van 1. subsidiair "medeplegen van doodslag", 2. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd op de open-bare weg door twee of meer verenigde personen" en 3. "poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld. 2. Geding in cassatie Het beroep, dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr W. Bos, advocaat te Uden, een schriftuur ingediend met middelen van cas-satie. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het Hof heeft een door de raadsvrouwe gevoerd verweer in het bestreden arrest aldus kort samengevat en zakelijk weergegeven dat bij gebreke van de vereiste toestemming van de verdachte, de resultaten van het klassieke bloedonderzoek niet mogen meewerken tot het bewijs. 3.2. Het Hof heeft dit verweer verworpen, na daartoe te hebben overwogen: "Het Hof is van oordeel, dat, wat er zij van de vraag of de verdachte in het onderhavige geval toestemming heeft gegeven voor het "gebruik van zijn bloed voor een zogenaamd klas"siek bloedvergelijkend onderzoek, geen rechtsregel, behoudens uitzonderingen waarvan te dezen niet is gebleken, zich ertegen verzet dat een - eenmaal rechtmatig ten behoeve van een DNA-onderzoek - afgenomen bloedmonster vervolgens wordt gebruikt voor een klassiek bloedvergelijkend onderzoek". 3.3. Het middel komt met een rechtsklacht tegen dit oordeel op. 3.4. Bij beschikking van 21 februari 1997 heeft de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank te Breda met toepassing van art. 195d Sv bevolen dat van de verdachte bloed wordt afgenomen ten behoeve van DNA-onderzoek. 3.5. De door de Rechter-Commissaris bevolen afname van bloed mag volgens art. 195d Sv slechts strekken tot het verrichten van DNA-onderzoek. Ingevolge art. 138a Sv wordt onder DNA-onderzoek verstaan: het onderzoeken van celmateriaal dat uitsluitend is gericht op de vergelijking van DNA-profielen. 3.6. In cassatie staat vast dat het op het rechterlijk bevel gevolgde in het middel bedoelde bloedonderzoek, waarvan de resultaten tot het bewijs zijn gebezigd, geen DNA-onderzoek in de zin van art. 138a Sv was. Gelet op de geboden restrictieve interpretatie van de voorschriften inzake de toepassing van dwangmiddelen vloeit uit hetgeen hiervoor is overwogen voort dat het Hof, door niettemin die resultaten voor het bewijs te gebruiken, blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting omtrent art. 138a en 195d Sv. 4. Slotsom Uit het voorgaande volgt dat het bestreden arrest voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen en dat de overige middelen geen bespreking behoeven. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt het bestreden arrest voorzover aan 138a Sv bedoeld om uit te sluiten dat - onder dwang verkregen - celmateriaal wordt gebruikt om erfelijke eigenschappen van de onderzochte persoon bloot te leggen. Het forensisch DNA-onderzoek mag hiertoe niet worden aangewend, maar uitsluitend tot het vergelijken van biologische sporen. (...) Het DNA-onderzoek ten behoeve van strafvordering mag dan ook alleen gericht zijn op de vaststelling van iemands identiteit. Het mag niet worden gebruikt om andere informatie over de persoon wiens lichaamscellen worden onderzocht, te verkrijgen. 8. Voorts valt uit de wetsgeschiedenis op te maken dat vooral de afgedwongen bloedafname en de registratie van DNA-profielen als (ernstige) inbreuken op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer moeten worden beschouwd. Aan het DNA-onderzoek zelf zijn in de visie van de wetgever dergelijke bezwaren van privacy-gevoelige aard niet verbonden. Zo antwoordde de minister van justitie op een vraag van een lid van de RPF-fractie of niet eveneens terughoudendheid moest worden betracht bij het onderzoek van lichaamscellen die niet onder dwang zijn afgenomen maar op andere wijze ter beschikking van justitie zijn gekomen: Dit is niet nodig omdat een DNA-onderzoek op zichzelf een veel minder vergaande inbreuk op de grondrechten van de verdachte betekent, dan het onder dwang afnemen van lichaamscellen. Zoals dit lid zelf reeds constateerde zijn andere maatregelen ter identificatie ook niet aan deze strenge voorwaarden gebonden. Volgens de minister mag het DNA-onderzoek ook worden toegepast op lichaamsmateriaal dat buiten de verdachte om is verkregen, dat wil zeggen zonder dat dit door hem gedwongen of vrijwillig is afgestaan ten behoeve van zo'n onderzoek, bijv. als lichaamscellen zijn vergaard op grond van bestaande dwangmiddelen, zoals het onderzoek aan het lichaam of de persoon of op grond van de maatregelen in het belang van het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van het besluit van 4 december 1925, Stb. 460. Dit wordt nog eens bevestigd in het antwoord van de minister op een vraag met betrekking tot DNA-onderzoek op lichaamsmateriaal waarover justitie bij toeval de beschikking heeft gekregen: Ten slotte vroeg het lid van de RPF-fractie hoever de zeggenschap van de verdachte over zijn bloed zich uitstrekt. Indien de verdachte "per ongeluk" bloed verliest op het politiebureau, mag dit dan worden gebruikt voor een DNA-onderzoek, zonder toestemming van de verdachte, zo vroeg dit lid. Het antwoord op deze vraag zal in concreto door de rechter moeten worden gegeven. Ik sluit niet uit dat de rechter in zo'n geval, alle omstandigheden afwegend, tot de conclusie komt dat het is toegestaan. DNA-onderzoek mag ook worden verricht op lichaamscellen die bij het onderzoek aan de kleding van de verdachte zijn aangetroffen, ook al verzet de verdachte zich hiertegen. Als deze kleding in beslag is genomen, beschikt Justitie erover en zijn er geen beletselen om het materiaal aan een DNA-onderzoek te onderwerpen. 9. Deze in de parlementaire stukken uitgezette lijn is in de conclusie d.d. 20 april 1998 in zaak 4.000 besch. doorgetrokken, in dier voege dat daar het standpunt wordt verdedigd dat het dwangmiddel der inbeslagneming niet wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven, indien het wordt aangewend om goederen in beslag te nemen met het oogmerk om ze te onderzoeken op de eventuele aanwezigheid van lichaamsmateriaal teneinde dat materiaal vervolgens te gebruiken voor een vergelijkend DNA-onderzoek. 10. In diezelfde lijn doorredenerend meen ik dat het niet in de bedoeling van wetgever heeft gelegen om een klassiek vergelijkend bloedonderzoek uit te sluiten in het geval het bloedmonster op rechtmatige wijze - in casu door bloedafname op bevel van de R-C - is verkregen ten behoeve van een DNA-onderzoek. In dat verband kan worden gewezen op een opmerking in de MvT over het geval dat het bloed niet geschikt blijkt te zijn voor DNA-onderzoek, hetgeen zich kan voordoen indien de verdachte tussen