Rechtspraak Hoge Raad 1999-04-28
ECLI:NL:HR:1999:AA2750
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Italië) (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Cen trale Raad van Beroep van 7 november 1997 betreffende het besluit van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: het Bestuur) waarbij aan belanghebbende een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW) is toegekend. 1. Besluit, bezwaar en geding voor de Rechtbank Bij besluit van 27 april 1994 is aan belanghebbende met ingang van 1 september 1989 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend, waarop een korting van 40 percent is toegepast, omdat belanghebbende van 25 februari 1957 tot 1 juni 1977, is (afgerond) 20 jaren, niet was verzekerd voor de AOW. Het Bestuur heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij beslissing van 19 oktober 1994 ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 26 april 1996 het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Bestuur met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt. 2. Geding voor de Centrale Raad Het Bestuur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad. De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraak vernietigd en het inleidende beroep van belanghebbende alsnog ongegrond verklaard. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht. 3. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd. Het Bestuur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden. Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door mr J. Groen, advocaat te 's-Gravenhage. 4. Beoordeling van de klachten 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Het Bestuur heeft bij beslissing van 27 maart 1991 aan belanghebbende, die in 1924 geboren is, met ingang van 1 september 1989 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend, waarop een korting van 64% is toegepast. Bij uitspraak van 23 oktober 1992 heeft de Rechtbank te Amsterdam het beroep van belanghebbende tegen die beslissing gegrond verklaard. De Rechtbank heeft in deze uitspraak overwogen: "Uit de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de banden die klaagster met Nederland had, zowel maatschappelijk als financiëel, nooit verbroken zijn geweest en dat zij, met name na 18 april 1980 (de datum, waarop haar vader is overleden) het middelpunt van haar maatschappelijk leven in Nederland had. Slechts in verband met het innen van haar Nederlandse bijstandsuitkering reisde zij één keer per twee maanden naar Italië.". Het door het Bestuur tegen laatstbedoelde uitspraak ingestelde hoger beroep is door de Voorzitter van de Centrale Raad bij beschikking van 19 maart 1993 wegens het te laat indienen van de gronden van het beroep niet- ontvankelijk verklaard. 4.2. De Centrale Raad heeft het tussen partijen bestaande geschil als volgt omschreven: dat het geding zich met name toespitst op de vraag of het Bestuur met het onderhavige besluit een juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Rechtbank van 23 oktober 1992, waarbij de Rechtbank de beslissing van het Bestuur van 27 maart 1991 heeft vernietigd en het Bestuur heeft opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van het in die uitspraak overwogene. 4.3. In zoverre de klachten betogen dat de Centrale Raad bij de beantwoording van de hiervóór in 4.2 vermelde vraag het bepaalde in de artikelen 3:4 en 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht heeft geschonden, worden zij reeds hierom tevergeefs aangevoerd, omdat ingevolge artikel 53, lid 1, van de AOW (tekst 1997) tegen een uitspraak van de Centrale Raad die de toepassing van de AOW betreft, uitsluitend beroep in cassatie kan worden ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, tweede, derde,