Rechtspraak Hoge Raad 1999-04-14
ECLI:NL:HR:1999:AA2727
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 april 1996 betreffende na te melden aan de fiscale eenheid X B.V. c.s. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 31 december 1991 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 190.252,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak, alsmede de naheffingsaanslag, heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 12 oktober 1998 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: X B.V. hield in het naheffingstijdvak (1991) middellijk dan wel onmiddellijk alle aandelen van onder meer een viertal vennootschappen (hierna: de Vervoersgroep), die zich bezig hielden met het vervoer van personen, waaronder rouwvervoer ten behoeve van de beide hierna als Begrafenisgroep aan te duiden vennootschappen. X B.V. vormde samen met de tot de Vervoersgroep behorende vennootschappen een eenheid als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1991; hierna: de Wet), welke eenheid op 1 januari 1989 reeds bestond. Voorts hield X B.V. tot 17 december 1991 - en ook reeds vóór 1 januari 1989 - middellijk dan wel onmiddellijk alle aandelen in B B.V. en in C B.V. (de beide vennootschappen hierna te noemen: de Begrafenisgroep), welke zich bezig hielden met de verzorging van begrafenissen. X B.V. was zodanig aan de vennootschappen van de Vervoersgroep en aan die van de Begrafenisgroep gelieerd, dat ten minste sprake was van een onderlinge verwevenheid in financieel en organisatorisch opzicht als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet. X B.V. heeft in de jaren 1988 en 1989 een rouwcentrum (hierna: het rouwcentrum) laten bouwen te Q. Zij heeft dit rouwcentrum - met inventaris - vervolgens verhuurd aan D B.V., een 100% dochtervennootschap van C B.V. Daarbij hebben de verhuurder en de huurder op de voet artikel 11, lid 1, letter b, ten vijfde, van de Wet gekozen voor ontheffing van de vrijstelling van omzetbelasting. D B.V. heeft het rouwcentrum op haar beurt met toepassing van de vrijstelling verhuurd aan C B.V. De ter zake van de oplevering van het rouwcentrum in rekening gebrachte omzetbelasting is door belanghebbende in aftrek gebracht. In 1991 heeft X B.V. een overeenkomst gesloten met de M Stichting (hierna: de Stichting), welke overeenkomst ertoe strekte dat X B.V. haar belangen op begrafenisgebied aan de Stichting overdroeg. In het kader daarvan heeft X B.V. het rouwcentrum aan de Stichting overgedragen, alsmede een tweetal andere door haar verhuurde rouwcentra, die in gebruik waren bij de Begrafenisgroep, alsmede de inventaris van de drie rouwcentra, en de aandelen in de beide tot de Begrafenisgroep behorende vennootschappen. Voorts werd overeengekomen dat de tussen de Vervoersgroep en de Begrafenisgroep bestaande (rouw)vervoersovereenkomsten zouden worden gehandhaafd, en werd voorzien dat de Stichting trad in alle rechten en verplichtingen met betrekking tot de verhuur van het rouwcentrum aan D B.V. Ten slotte zijn ingevolge de overeenkomst tussen belanghebbende en de Stichting twee personeelsleden van belanghebbende na de overdracht in dienst getreden van de Stichting. De Stichting, de Begrafenisgroep en D B.V. hebben alle voordien verrichte activiteiten na de overdracht onge