Rechtspraak Hoge Raad 1997-04-09
ECLI:NL:HR:1997:AA2110
gewezen op het beroep van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 31 januari 1996 betreffende de aan X te Z opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1993. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 61.477,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 55.672,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende woonde in 1993 in Nederland. In de periode van 22 maart tot en met 27 september van dat jaar is belanghebbende als officier van de Koninklijke Landmacht in dienst van het Ministerie van Defensie uitgezonden naar voormalig Joegoslavië (Kroatië). Zijn woonplaats bleef in deze periode in Nederland, waar zijn gezin ook feitelijk bleef wonen. In verband met zijn uitzending genoot belanghebbende naast zijn wedde van ƒ 25.467 een (belaste) "compensatie extra beslaglegging" van het Ministerie van Defensie voor afkoop van rust- en werktijdenregelingen van ƒ 12.588 en een (onbelaste) VN-toelage van ƒ 9.585. 3.2. Het middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel aanspraak kan maken op overeenkomstige toepassing van de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 6 mei 1992, nr.IFZ 92-016, gepubliceerd in BNB 1992/226 (hierna: de Nedeco-regeling). Bij die regeling is goedgekeurd dat - kort samengevat - naar bepaalde landen uitgezonden employés en deskundigen het bedrag van de aftrekbare kosten terzake van de uitzending mogen stellen op 35 % van de desbetreffende inkomsten uit arbeid. Zoals blijkt uit de door het Hof onder 3.3 van zijn uitspraak aangehaalde gedeelten ervan is de strekking van de Nedeco-regeling om bij uitgezonden employés en deskundigen op zoveel mogelijk uniforme wijze rekening te houden met kosten waarvan moeilijk is vast te stellen of en, zo ja, voor welk deel zij verband houden met de dienstbetrekking. 3.3. In cassatie is niet in geschil dat belanghebbende dergelijke kosten, waarop de regeling het oog heeft, heeft gemaakt en voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de regeling, met uitzondering van de voorwaarde dat "de uitzending dient te geschieden door een (in Nederland gevestigde) particuliere werkgever of privaatrechtelijke instelling". vraag is of het niet voldoen aan die voorwaarde een objectieve en redelijke rechtvaardiging oplevert voor het niet op belanghebbende toepassen van de regeling, die een begunstigend beleid inhoudt. 3.4. Het middel herhaalt in de eerste plaats het door het Hof verworpen betoog van de Inspecteur dat het verschil in rechtspositie tussen ambtenaren en particuliere werknemers een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormt als hier bedoeld. In dat verband wijst de toelichting op het verschil tussen een ambtelijke aanstelling en een tweezijdig arbeidscontract en verschillen in de wijze van beëindiging van de dienstbetrekking en van vaststelling van de hoogte van salaris en vergoedingen en van pensioenregelingen. Als fiscale gevolgen van deze andere rechtspositie, met name in grensoverschrijdende situaties, noemt de toelichting het verschil tussen ambtenaren en particuliere werknemers ten aanzien van de toedeling van heffingsrechten in het internationale belastingrecht en dat tussen de ficti