Rechtspraak Hoge Raad 1996-11-06
ECLI:NL:HR:1996:AA1733
gewezen op het beroep in cassatie van de vennootschap onder firma X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 1 juni 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen opgelegd ten bedrage van ƒ 14.539,-- aan enkelvoudige belasting en, na kwijtschelding tot op 25 percent, ƒ 3.635,-- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit de opgelegde verhoging tot op 10 percent kwijt te schelden. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak en dit besluit heeft vernietigd, de naheffingsaanslag voor wat betreft de enkelvoudige belasting heeft gehandhaafd en heeft bepaald dat daarin geen verhoging wordt begrepen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dat stuk kan echter geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt dit stuk in te dienen. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr D. van Kampen, advocaat te Utrecht. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. In 1992 heeft belanghebbende een bestelauto van het merk Volkswagen aangeschaft (hierna: de auto). De auto was voorzien van een zogenoemde dubbele cabine en is op 14 mei 1992 ten name van belanghebbende geregistreerd als "bedrijfsvoertuig". Nadien heeft geen registratie als personenauto plaatsgehad. Na de levering van de auto heeft belanghebbende in de loop van 1992 de inrichting van de auto gewijzigd als omschreven in 1.6 van de uitspraak van het Hof, welke wijziging tot een vergroting van de (dubbele) cabine heeft geleid. Niet is komen vast te staan dat na bedoelde wijziging met de auto geen gebruik in Nederland van de weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet is gemaakt vóór 1 januari 1993. 3.1.2. Op 16 augustus 1993 is de auto onderzocht door ambtenaren der invoerrechten en accijnzen. Naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de auto niet voldeed aan de in artikel 3, lid 2, letter b, aanhef en 3°, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tekst 1993; hierna: de Wet) neergelegde eis dat de laadruimte een lengte bezit van ten minste tweederde van de lengte die de laadruimte zou hebben gehad, indien de auto niet was voorzien van een dubbele cabine, zodat hij een personenauto was in de zin van de Wet. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat uit hetgeen partijen hebben aangevoerd, niet is gebleken dat de auto reeds in 1992 in de toenmalige bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's had moeten zijn betrokken of dat, naar de toen geldende regeling belasting verschuldigd was geworden, die ten onrechte door de Inspecteur niet was nageheven, zodat niet op grond van de Wet, doch op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 zou moeten worden nageheven. Tegen dit oordeel komt middel Ia op. 3.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 1, leden 2 en 3, van de Wet - welke met ingang van 1 januari 1993 in werking is getreden - is belasting van personenauto's en motorrijwielen verschuldigd - voor zover te dezen van belang - ter zake van registratie van een personenauto dan wel, ingeval een geregistreerd ander motorrijtuig dan een personenauto in zodanige staat wordt gebracht dat het een personenauto is, ter zake van de registratie als personenauto dan