Rechtspraak
1995-03-31
ECLI:NL:HR:1995:ZC1688
3,613 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:1995:ZC1688 text/xml public 2025-03-21T19:52:42 2013-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ZC1688 AG7013 Hoge Raad 1995-03-31 15614 Uitspraak Cassatie NL Civiel recht Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 213 NJ 1997, 592 met annotatie van C.J.H. Brunner RvdW 1995, 83 VR 1995, 184 met annotatie van A.J.O. van Wassenaer van Catwijck
Volledig
ECLI:NL:HR:1995:ZC1688 text/xml public 2026-05-15T10:01:14 2013-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ZC1688 AG7013 Hoge Raad 1995-03-31 15614 Uitspraak Cassatie NL Den Haag Civiel recht Conclusie: ECLI:NL:PHR:1995:52 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 213 Rechtspraak.nl NJ 1997, 592 met annotatie van C.J.H. Brunner RvdW 1995, 83 VR 1995, 184 met annotatie van A.J.O. van Wassenaer van Catwijck http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1995:ZC1688 text/html public 2026-05-13T12:57:32 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:1995:ZC1688 Hoge Raad , 31-03-1995 / 15614 Onrechtmatige daad; rechtvaardigingsgrond. Eigen schuld. Bewijskracht verklaring partij-getuige. 31 maart 1995 Eerste Kamer Nr. 15.614 AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [eiseres 1] B. V. , gevestigd te [plaats] , 2. [eiser 2] , wonende te [plaats] , EISERS tot cassatie, advocaat: mr U.W. Joustra, tegen [verweerder] , wonende te [plaats] , VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties Eisers tot cassatie - te zamen verder te noemen: [eiser] - hebben bij exploit van 3 maart 1987 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Middelburg en gevorderd [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] in persoon ter zake van vergoeding van immateriële schade te betalen een bedrag van f 40.000, -- en voorts aan de vennootschap te vergoeden de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente, en [verweerder] te veroordelen in de proces-kosten. Nadat [verweerder] tegen de vorderingen verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 6 juli 1988 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 1 november 1989 partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een voorgenomen deskundigenonderzoek. Zij heeft bij tussenvonnis van 13 juni 1990 een dergelijk onderzoek bevolen. Na deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 6 november 1991 de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen. Tegen de vonnissen van 1 november 1989, 13 juni 1990 en 6 november 1991 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Vervolgens heeft [eiser] incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 15 december 1993 heeft het Hof in het principaal beroep het vonnis van 6 november 1991 vernietigd en de vorderingen van [eiser] afgewezen. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Koopmans strekt tot vernietiging van het arrest van het Hof en tot verwijzing van de zaak naar aan ander gerechtshof. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. (i) [verweerder] exploiteert, samen met zijn vrouw, in [plaats] een restaurant onder de naam [naam 1] , dat ten tijde van na te noemen gebeurtenissen twee sterren in de Michelingids had. [eiser] , huisarts van beroep, heeft op 31 oktober 1984, samen met een bevriende arts, [betrokkene 1] , in dit restaurant het noenmaal gebruikt. Zij waren de enige gasten. Na afloop van de maaltijd heeft een handgemeen tussen [eiser] en [verweerder] plaatsgevonden. (ii) De toedracht van de gebeurtenissen, voor zover vaststaand, was als volgt. [eiser] en zijn collega hebben eerst met [verweerder] en de sommelier ( [getuige 1] ) het menu en de wijnkaart besproken en hun keuze gemaakt. De gebrachte fles Chablis voldeed niet aan de verwachtingen en werd door het restaurant teruggenomen. In plaats daarvan werd een fles champagne gekozen. Het voorgerecht, "truffe surprise", voldeed ook niet geheel aan de verwachtingen en werd slechts ten dele opgegeten. Over de rest van het menu waren de gasten vol lof, behoudens dat één oester - volgens [verweerder] ten onrechte - werd afgekeurd en door een andere werd vervangen. De gasten waren niet tevreden over de keuze op de wijnkaart en na overleg werd besloten een drietal halve flesjes witte Bourgogne te laten komen. Het eerste flesje werd geopend en, na voor meer dan de helft leeggedronken te zijn, alsnog afgekeurd, terwijl toen besloten is in plaats van de twee andere halve flesjes een fles Meursault 1978 te laten komen. Nadat deze fles voor ongeveer tweederde deel was leeggedronken werd hij eveneens afgekeurd. Hierna dronken [eiser] en zijn metgezel nog een fles champagne. Tenslotte werd koffie met cognac gedronken. (iii) Nadat de rekening, die in totaal f 725, -- beliep, was gebracht, vroegen de gasten de sommelier om [verweerder] te laten komen omdat zij bezwaar maakten dat de fles Meursault en het opengemaakte halve flesje in de rekening waren opgenomen. [verweerder] was de tuin ingegaan omdat hij zich ergerde aan het optreden van de gasten. (iv) Over wat daarna is gebeurd verschillen partijen van mening. Vaststaat dat [verweerder] dacht dat de gasten zonder betalen wilden vertrekken. Vaststaat ook dat het bedrag van de rekening, volgens [eiser] vermeerderd met f 50, -- fooi, op tafel was neergelegd, volgens [eiser] op het schoteltje waarop de rekening was gebracht, volgens [verweerder] onder dat schoteltje en daardoor onzichtbaar. (v) Op 2 november 1984 is [eiser] wegens klachten (hoofdpijn, misselijkheid en braken) in het Bleuland Ziekenhuis te Gouda opgenomen. Op 3 november kon hij weer naar huis gaan. Op 7 december 1984 werd [eiser] wegens soortgelijke klachten opgenomen in het Dijkzigt ziekenhuis te Rotterdam, waar hij op 11 december 1984 werd geopereerd door een neurochirurg wegens dubbelzijdig chronisch subduraal haematoom. Op 21 december werd hij uit het ziekenhuis ontslagen. (vi) Voorts heeft [eiser] gesteld dat [verweerder] hem heeft mishandeld door hem een aantal vuistslagen toe te dienen, enkele op zijn voorhoofd links en rechts, onder het linkeroog en op het linker oor, ten gevolge waarvan hij onder meer het dubbelzijdig subduraal haematoom heeft opgelopen. Hiervoor heeft hij zich onder medische behandeling moeten stellen en is hij geopereerd. Hij heeft ten gevolge van het gebeurde blijvende restverschijnselen overgehouden, onder meer bestaande uit ernstige hoofdpijnen, duizeligheid en verlies van 90% van het gehoor aan de linkerzijde. Als gevolg van dit letsel is aan de zijde van [eiser] schade geleden. 3.2 Het Hof heeft zijn afwijzing van de vorderingen van [eiser] gegrond op de volgende overwegingen, kort samengevat: (i) Het Hof is ervan uitgegaan dat [verweerder] [eiser] één klap heeft gegeven, waardoor [eiser] tegen de deur van het restaurant is gevallen. Het Hof heeft dit afgeleid uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [verweerder] . Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de verklaring van [eiser] als partij-getuige niet de aanvullende werking kan hebben, bedoeld in art. 213 lid 1 Rv., nu de verklaring van [betrokkene 1] als getuige te veel afwijkt van diens verklaring tegenover de politie om als grondslag voor zodanig aanvullende werking te dienen. (ii) Het Hof heeft vervolgens de vraag of [verweerder] jegens [eiser] voor de gevolgen van deze klap en de daardoor veroorzaakte val tegen de deur aansprakelijk is, beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.
Volledig
(iii) Van deze omstandigheden heeft het Hof in het bijzonder gereleveerd: dat [eiser] en [betrokkene 1] zich hebben gedragen als zeer kritische, moeilijk tevreden te stellen gasten; dat een meningsverschil is ontstaan tussen [verweerder] en [eiser] over de betaling van de rekening en dat [verweerder] uit hetgeen [eiser] en [betrokkene 1] hebben gezegd, de indruk heeft gekregen dat zij van plan waren zonder betaling te vertrekken; dat [betrokkene 1] en [eiser] in deze volgorde naar de uitgang van het restaurant zijn gelopen; dat [verweerder] [eiser] bij de kraag van zijn jasje heeft vastgepakt om te voorkomen dat hij zonder te betalen het restaurant zou verlaten; dat [eiser] , zich omdraaiend, toen een beweging met zijn arm heeft gemaakt waardoor [verweerder] over zijn gezicht werd gekrabd, en [verweerder] daarop [eiser] de voormelde klap heeft gegeven, waardoor deze tegen de deur viel. (iv) Het Hof heeft vervolgens geoordeeld: dat de veronderstelling van [verweerder] dat [eiser] en [betrokkene 1] van plan waren zonder te betalen weg te gaan, door hun gedrag gerechtvaardigd werd; dat [verweerder] niet euvel is te duiden dat hij heeft geprobeerd dit te verhinderen door [eiser] bij de kraag van diens jasje te pakken; dat [verweerder] de armbeweging van [eiser] , die zijn gezicht raakte, heeft mogen opvatten als een bedreiging door [eiser] ; dat de door [verweerder] als reactie daarop gegeven klap niet buiten proportie was. (v) Dit alles heeft het Hof tot een dubbele slotsom geleid. In de eerste plaats heeft het Hof geconcludeerd dat het gedrag van [verweerder] - hoewel het geven van een klap in beginsel een onrechtmatige daad opleverde - zozeer is uitgelokt door het gedrag van [eiser] dat het gedrag van [verweerder] tegenover [eiser] niet onrechtmatig was. In de tweede plaats heeft het Hof geconcludeerd dat, zelfs al zou de in beginsel bestaande onrechtmatigheid van de klap niet door het gedrag van [eiser] zijn opgeheven, in elk geval de plicht van [verweerder] tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade geheel is vervallen, omdat de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist. 3.3 's Hofs voormelde overwegingen, opgevat als hiervoor weergegeven, geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn sterk verweven met feitelijke waarderingen die in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst. zij bevatten voorts een motivering van 's Hofs afwijzing van de vorderingen van [eiser] , die niet onbegrijpelijk is en, in het licht van de gedingstukken, ook overigens aan de eisen van de wet voldoet. Het middel stuit hierop in al zijn onderdelen af, waarbij nog het volgende afzonderlijke vermelding verdient. 3.4 Het eerste onderdeel van het middel richt klachten tegen 's Hofs hiervoor in 3.2 onder (i) weergegeven overweging. Het oordeel van het Hof dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] wegens hun onderlinge afwijkingen geen geloof verdienen, was aan het Hof als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden. In het licht van die verklaringen en van de punten waarop zij verschillen, kan 's Hofs oordeel niet onbegrijpelijk worden genoemd. Uitgaande van dit oordeel heeft het Hof ook niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 213 Rv., waarin besloten ligt dat de verklaring van een partij-getuige - zoals [eiser] was - geen bewijs te haren voordele kan opleveren, indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken. Niet is in te zien dat zulks in strijd zou komen met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Een en ander wordt niet anders door de ter griffie gedeponeerde foto's van het hoofdletsel van [eiser] , waarop ook onderdeel 2 betrekking heeft. Dat dit letsel zich op twee verschillende plaatsen bevond, heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk gezien als gevolg van het feit dat [eiser] niet alleen een klap heeft gekregen, maar daardoor ook tegen een deur gevallen is. 3.5 Onderdeel 3 richt zich tegen 's Hofs oordeel dat [verweerder] in de "gerechtvaardigde" veronderstelling verkeerde dat [eiser] en [betrokkene 1] van plan waren te vertrekken zonder de rekening te betalen. 's Hofs oordeel op dit punt is evenwel in het licht van de verklaringen van de getuigen niet onbegrijpelijk, nu het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk is uitgegaan van de tussen partijen vaststaande feiten dat [eiser] en [betrokkene 1] te kennen hadden gegeven de rekening, zoals deze was aangeboden, niet te willen voldoen en dat zij kort daarna zijn weggelopen, klaarblijkelijk zonder mede te delen dat zij hun standpunt niet handhaafden. 3.6 De onderdelen 4-7 strekken ertoe 's Hofs waardering van de omstandigheden van het geval door middel van in hoofdzaak motiveringsklachten aan de Hoge Raad voor te leggen. 's Hofs overwegingen schieten evenwel als motivering van 's Hofs beslissing niet tekort, waarbij aantekening verdient dat de daartegen gerichte klachten deels feitelijke grondslag missen. Het Hof heeft immers vastgesteld dat de door [verweerder] gegeven klap een reactie was op een armbeweging van [eiser] , waardoor het gezicht van [verweerder] werd geraakt, en die [verweerder] naar 's Hofs oordeel heeft mogen opvatten als een bedreiging door [eiser] . De ernstige gevolgen die deze klap voor [eiser] heeft gehad, heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk niet toegeschreven aan de kracht van de klap zelf, maar aan de combinatie van de klap met het feit dat [eiser] daardoor ongelukkigerwijs tegen de deur van het restaurant is gevallen, dat hij bezig was te verlaten. Voorts verdient aandacht dat in de door het Hof vastgestelde en niet onbegrijpelijke lezing van het gebeurde het niet [verweerder] was die met slaan begon, doch veeleer [eiser] , die met een armbeweging het gezicht van [verweerder] raakte en daarover krabde. In verband met een en ander geeft ook de hiervoor in 3.2 onder (v) bedoelde dubbele slotsom van het Hof in geen van beide conclusies blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 1.482,20 aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Neleman, Heemskerk en Nieuwenhuis, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 31 maart 1995 .