Rechtspraak Hoge Raad 1994-10-05
ECLI:NL:HR:1994:AA2956
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 13 augustus 1993 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 58.897,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 53.796,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is per 1 november 1990 benoemd in de functie van A te Q. Om deze functie volledig en goed te kunnen gaan uitoefenen diende belanghebbende de opleiding B te volgen. Deze opleiding werd gegeven in R en kon in diensttijd met behoud van salaris worden gevolgd. Belanghebbende heeft de opleiding gevolgd van 14 januari 1991 tot en met 12 juli 1991 en van 16 september 1991 tot en met 23 november 1991. De opleiding nam in die perioden hele werkweken in beslag. Belanghebbende woonde gedurende het gehele jaar 1991 te S. Hij verbleef gedurende de perioden van opleiding in een pension te T. Belanghebbende bezocht zijn gezin midweeks en in het weekend. Ter zake van deze reizen tussen T en S heeft belanghebbende (130 x 146 km x f 0,44 =) f 8.351,20 afgetrokken. Er is nimmer op dezelfde dag heen en weer gereisd. 3.2. In cassatie is de vraag aan de orde of deze kosten waaromtrent het Hof in cassatie onbestreden heeft geoordeeld dat zij tot de aftrekbare kosten als bedoeld in artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) behoren, ingevolge het bepaalde in artikel 36, lid 2, aanhef en letter g, van de Wet slechts tot een bedrag van f 3.250,-- in aanmerking kunnen worden genomen. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat zodra een cursus een (nagenoeg) volledige dagtaak oplevert en aldus opgaat in de vervulling van de dienstbetrekking zelve, het volgen van die cursus als het vervullen van de dienstbetrekking moet worden gezien en dat de wetgever kennelijk slechts de bedoeling heeft gehad om onder artikel 36, lid 2, letter g, van de Wet te laten vallen cursussen en dergelijke, welke naast de normale vervulling van de dienstbetrekking worden gevolgd. Het Hof heeft aan deze oordelen de gevolgtrekking verbonden dat de onderwerpelijke cursus niet is aan te merken als een cursus in de zin van artikel 36, lid 2, letter g, van de Wet. Het middel richt zich tegen deze oordelen met het betoog dat de wetgever een beperking heeft gesteld aan de aftrekbaarheid van de kosten voor alle cursussen ongeacht hun aard en duur, en derhalve ook als de cursussen als bedrijfsopleidingen moeten worden beschouwd. 3.4. Dit betoog is juist. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van voormelde wetsbepaling blijkt dat in het oorspronkelijke wetsontwerp, dat heeft geleid tot de Wet invoering en aanvulling van de vereenvoudiging van de tariefstructuur in de loon- en inkomstenbelasting en wijziging van de regeling betreffende aftrekposten van 27 april 1989, Stb. 1989,123, kosten voor congressen, seminars en symposia van aftrek werden uitgesloten, terwijl de aftrek van kosten voor vakcursussen en bedrijfsopleidingen en dergelijke niet werd beperkt (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1988/89, 20 873, nr. 3, blz 28). Tijdens de behandeling van dit voorstel in de Tweede Kamer is meermalen bezorgdheid geuit over afbakeningsp