Rechtspraak Hoge Raad 1992-01-10
ECLI:NL:HR:1992:ZC0467
10 januari 1992 Eerste Kamer Nr. 14.456 A en B Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaken nrs. 14.456A en 14.456B van: DE ONTVANGER DER RIJKSBELASTINGEN TE ‘s-HERTOGENBOSCH, kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch, EISER tot cassatie, advocaat: Mr. M.J. Schenck, t e g e n NMB POSTBANK GROEP N.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: Mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt. 1. Het geding in feitelijke instantie Verweerster in cassatie, destijds genaamd Nederlandsche Middenstandsbank N.V. - verder te noemen de Bank - heeft bij exploot van 9 augustus 1988 eiser tot cassatie - verder te noemen de Ontvanger – gedagvaard voor de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch en, voor zover hier van belang, gevorderd: te verklaren voor recht dat de Bank rechthebbende is de huurtermijnen, verschenen na de door de Ontvanger op 7, 8 en 17 september 1987 gelegde derdenbeslagen. Nadat de Ontvanger tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 2 maart 1990 deze verklaring voor recht toegewezen. Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft de Ontvanger onder verwijzing naar een overgelegde overeenkomst als bedoeld in art. 398, sub 2° Rv. beroep in cassatie ingesteld bij een tweetal gelijkluidende dagvaardingen, onderscheidenlijk op 1 juni 1991 uitgebracht door de gerechtsdeurwaarder G.T. van der Velde te ’s-Gravenhage (nr. 14.456A) en op 5 juni 1990 door H. van Zielst , belastingdeurwaarder te ‘s-Gravenhage (nr. 14. 456B). Beide cassatiedagvaardingen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot nietigverklaring van de dagvaarding in de zaak nr. 14.456A en tot verwerping van het beroep in de zaak nr. 14.456B. De Hoge Raad zal beide zaken gevoegd behandelen. 3. De opgeworpen nietigheid van de dagvaardingen Art. 4 van de Invorderingswet 1990, zoals dit artikel in het licht van de in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 2 aangehaalde wetsgeschiedenis moet worden uitgelegd, brengt mee dat de belastingdeurwaarder bij uitsluiting bevoegd is onder meer tot die werkzaamheden die verricht moeten worden wanneer de ontvanger zelfstandig eisend of verwerend in rechte optreedt, nu ook deze werkzaamheden rechtstreeks uit de invorderingstaak van de ontvanger voortvloeien. Daaruit volgt dat de door een gerechtsdeurwaarder uitgebrachte cassatiedagvaarding in de zaak nr. 14.456A nietig is en dat het middel behandeld moet worden op grondslag van de door een belastingdeurwaarder uitgebrachte dagvaarding in de zaak nr. 14.456B. 4. Beoordeling van het middel 4.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Bij akte van 12 juni 1987 heeft de Bank van [A] NV gekocht en overgedragen gekregen een vordering van deze vennootschap ten belope van f 9.504.000,-- op een aantal partijen, door de Rechtbank tezamen aangeduid als [B] c.s. Daarmee is de Bank getreden in alle ter zake van deze vordering door [A] bedongen zekerheden, onder welke door [B] c.s. aan [A] gecedeerde toekomstige vorderingen ter zake van de huurpenningen van een aantal aan [B] c.s. toebehorende, aan derden verhuurde onroerende zaken. Op 7, 8 en 17 september 1987 heeft de Ontvanger voor belastingschulden van [B] c.s. onder de huurders executoriaal derdenbeslag gelegd. De Bank heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Ontvanger onder de huurders gelegde derdenbeslagen te haren aanzien geen effekt hebben, omdat de cessie van de huurpenningen tot gevolg heeft dat deze niet meer tot het vermogen van de debiteur [B] c.s. behoren. De Ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat deze cessie, nu zij toekomstige vorderingen betreft, ten aanzien van na de beslagdata verschenen huurtermijnen effekt ontbeert, zodat die termijnen aan de Ontvanger als beslaglegger moeten worden afgedragen. Ingevolge een t