Rechtspraak Hoge Raad 1982-06-25
ECLI:NL:HR:1982:AG4415
25 juni 1982 Eerste Kamer Nr. 11.865 J.O.-L. Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE VERENIGING VAN GEDETINEERDEN IN HET HUIS VAN BEWARING ‘’DE SCHANS’’, gevestigd te Amsterdam, EISERES tot cassatie, advocaat: Mr. G. Spong, PD – HR 26/6/1981 t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN, gevestigd te ’s-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: Mr. E. Drooglever Fortuijn. 1. Het geding in feitelijke instanties Bij exploten van 17 en 18 september 1980 heeft eiseres tot cassatie (verder aan te duiden als de Vereniging) (1) [betrokkene 1] in diens functie van directeur van het Huis van Bewaring I (De Schans) te Amsterdam alsmede (2) de verweerder in cassatie (verder aan te duiden als de Staat) gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd veroordeling van (a) [betrokkene 1] om het bestuur van de Vereniging éénmaal per week vergaderruimte ter beschikking te stellen waar dit bestuur kan vergaderen en de Vereniging in staat te stellen de mening van haar leden te peilen door minimaal éénmaal per maand te vergaderen met bestuur en palviljoenafgevaardigden, dan wel de mening van de leden te peilen door schriftelijke enquêtes, en van (b) de Staat om [betrokkene 1] op te dragen de Vereniging evengenoemde faciliteiten toe te staan. Nadat de Staat en [betrokkene 1] tegen die vordering verweer hadden gevoerd, heeft de President bij vonnis van 2 oktober 1980 de Vereniging niet- ontvankelijk verklaard in haar vordering ten aanzien van [betrokkene 1] en de vordering tegen de Staat toegewezen. Tegen dit vonnis is de Staat in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 10 april 1981 heeft het Hof het vonnis van de President vernietigd en de vordering alsnog afgewezen. Het vonnis van de President alsmede het arrest van het Hof zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft de Vereniging beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam. 3. Artikel 51 Beginselenwet gevangeniswezen Nu de Staat in cassatie niet heeft bestreden 's Hofs oordeel dat de Vereniging niet het beklagrecht als bedoeld in artikel 51 lid 1 van de Beginselenwet gevangeniswezen toekomt, moet te dezen van de juistheid van dat oordeel worden uitgegaan. Dat brengt mede dat in het onderhavige geding de vraag of en in hoeverre naast de regeling van het beklag en beroep, vervat in titel XIII van genoemde wet, nog plaats is voor een voorziening in kort geding, niet rijst. 4. Beoordeling van het middel 4.1 In cassatie mag worden ondersteld dat de door de Vereniging aanvankelijk verzochte, en nadien in dit kort geding gevorderde faciliteiten, in aanmerking genomen dat het te dezen gaat om een vereniging van gedetineerden ter bescherming van hun belangen, in beginsel nodig zijn voor een doeltreffende uitoefening van het ook aan dezen toekomende ‘’recht op vrijheid van vereniging’’ (artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, onderscheidenlijk artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten), respectievelijk ‘’recht tot vereniging en vergadering’’ (artikel 9 van de Grondwet), zodat het gebruik mogen maken van die faciliteiten moet worden aangemerkt als een noodzakelijk element van dat grondrecht. Daarvan uitgaande moet het besluit van de directeur van het huis van bewaring waarbij het verzoek van de Vereniging haar vorenbedoelde faciliteiten toe te staan werd afgewezen, worden opgevat als een beperking van de uitoefening van het haar leden toekomende grondrecht. Onderdeel 1 van het middel betoogt nu dat zulk een beperking ‘’slechts dan rechtens mogelijk en toelaatbaar is’’ indien