Rechtspraak Hoge Raad 1976-12-17
ECLI:NL:HR:1976:AC5837
17 december 1976 HW De Hoge Raad der Nederlanden , in de zaak nr. 11.000 van 1. [eiser 1] , wonende te [woonplaats] , 2. de Naamloze Vennoot [eiseres 2] N.V ., gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. de Onderlinge Waarborgmaatschappij ‘’ [eiseres 3] UA’ ’, thans geheten [A] U.A., gevestigd te [vestigingsplaats] , eisers tot cassatie van twee arresten van het Gerechtshof te 's Hertogenbosch, op 10 mei 1973 en 19 juni 1975 tussen partijen gewezen, incidenteel verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. C.R.C. Wijckerheld Bisdom, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n [verweerster] , echtgenote van [betrokkene 1] , wonende te [woonplaats] , in haar hoedanigheid van provisioneel bewindvoerster over haar zoon [betrokkene 2] , verweerster in cassatie, incidenteel eiseres tot cassatie, vertegenwoordigd door Mr. R.F. Foortse, eveneens advocaat bij de Hoge Raad, Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal ten Kate in zijn conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep in cassatie met veroordeling van principaal eisers in cassatie in de kosten; Gezien de stukken van het geding; Overwegende dat uit de bestreden uitspraken en de overige stukken van het geding blijkt: dat [betrokkene 2] , hierna te noemen [betrokkene 2] , bij twee exploiten van 23 augustus 1967 de principaal eisers in cassatie, hierna te noemen [eisers] , heeft gedagvaard voor de Arrondissementsrechtbank te Maastricht, onder meer stellende: ‘’dat [eiser 1] als bestuurder van een trekker met oplegger op 17 mei 1966 een aanrijding heeft veroorzaakt met een tractor waarop [betrokkene 2] was gezeten; dat [eiser 1] uit onrechtmatige daad jegens [betrokkene 2] aansprakelijk is voor de schade die deze als gevolg van deze aanrijding heeft geleden; dat een overeenkomstige aansprakelijkheid rust op N.V. [eiseres 2] — verder te noemen [eiseres 2] —, daar [eiser 1] de onrechtmatige daad beging in de uitoefening van de werkzaamheden waarvoor [eiseres 2] hem bezigde; dat [eiseres 3] bij wie [eiser 1] , althans [eiseres 2] tegen wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd, op grond van artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen eveneens jegens [betrokkene 2] voor de voormelde schade aansprakelijk is; dat de door [betrokkene 2] deswege geleden en nog te lijden schade als volgt nader wordt aangeduid: 1) [betrokkene 2] ' kleding en schoenen werden ten gevolge van de aanrijding vernield, ƒ 130,-- 2) [betrokkene 2] ' gouden doublé horloge werd vernield, enz; deze schade-post stelt [betrokkene 2] voorhands P.M. 3) [betrokkene 2] werd ten gevolge van de aanrijding voor 100% blijvend invalide; [betrokkene 2] loon bedroeg ten tijde van de aanrijding ƒ 555,-- per maand netto; [betrokkene 2] heeft sedert 17-5-1966 tot heden inkomsten gederfd en hij zal deze inkomsten gedurende zijne gehele, verdere leven blijven derven; deze schade-post kan thans nog niet precies becijferd worden en wordt voorlopig althans gesteld op P.M. 4) [betrokkene 2] werd helaas ten gevolge van de aanrijding volgens de medici voor 100% blijvend invalide ingevolge een bij deze aanrijding opgelopen, zeer ernstig hersenletsel; [betrokkene 2] verkeert sinds de aanrijding in een ernstig depressieve toestand en hem worden op medisch voorschrift bij voortduring zware slaap-tabletten toegediend, zodat [betrokkene 2] dientengevolge in een voortdurende slaaptoestand verkeert; [betrokkene 2] werd van 17-5-1966 tot 2-8-1966 in het R.K. Ziekenhuis te Sittard verpleegd alsmede van 15-8-1966 tot 14-10-1966 alsmede nog in januari 1967 in gemeld ziekenhuis ter verpleging opgenomen, doch [betrokkene 2] is toen aldaar weggelopen. [betrokkene 2] heeft sedert 17-5-1966 in een zeer ernstige mate levensvreugde gederfd en zal in de toekomst levenslang in zeer ernstige mate levensvreugde blijven derven; [betrokkene 2] kan immers niet alleen niet meer werken doch ook is hem elke levensvreugde van spel, sport, hobby en van zijne kinderen en familie ontzegd; deze schade-post wordt door [betrokkene 2] ex aequo et bono gest dat [betrokkene 2] als schade heeft gevorderd de door hem geleden loonderving vanaf de dag na het ongeval, zijnde 17 mei 1966, tot de datum van zijn vervroegde pensionering wegens algehele blijvende invaliditeit, zijnde 1 april 1968, welke loonderving [betrokkene 2] heeft becijferd op ƒ 9.311,54; dat [betrokkene 2] hieromtrent nader heeft aangevoerd dat zijn werkgeefster, de gemeente Susteren, weliswaar hem gedurende gemelde periode het volle loon heeft uitbetaald, doch zulks bij wijze van voorschot en hij gehouden is genoemd bedrag van ƒ 9.311,54 terug te betalen, tot bewijs waarvan [betrokkene 2] een schrijven van 3 oktober 1969 van de gemeente Susteren heeft overgelegd; 6. dat [eisers] , in beginsel erkennend gehouden te zijn gedurende genoemde periode eventueel door [betrokkene 2] geleden loonderving te vergoeden, hebben ontkend dat [betrokkene 2] loonderving heeft geleden, daar de gemeente Susteren, naar de mening van [eisers] , onder de gegeven omstandigheden verplicht was het ontbrekende aan [betrokkene 2] uit te betalen; 7. dat, indien de gemeente Susteren op grond van de arbeidsvoorwaarden waaronder [betrokkene 2] in haar dienst was aangesteld, verplicht was aan [betrokkene 2] het volle loon te betalen, [betrokkene 2] niet verplicht kan worden het aldus ontvangen loon te restitueren, waardoor ook geen sprake kan zijn van een desbetreffende vordering van [betrokkene 2] op [eisers] ; dat, nu [eisers] hebben betwist dat een gedeelte van het gedurende voornoemde periode aan [betrokkene 2] uitbetaald loon bij wijze van voorschot is gedaan, op [betrokkene 2] de bewijslast van deze stelling rust, waartoe de Rechtbank hem overeenkomstig zijn subsidiair gedaan bewijsaanbod zal toelaten zoals hierna in het dictum vermeld, leverende de overgelegde brief van de gemeente Susteren zonder meer daarvoor nog niet voldoende bewijs; 8. dat vervolgens [betrokkene 2] ter zake smartegeld een bedrag vordert van ƒ 50.000,--, daartoe stellende dat [betrokkene 2] ten gevolge van het hem door schuld van [eiser 1] overkomen ongeval in zeer ernstige mate levensvreugde gederfd heeft en in de toekomst zal derven; 12. dat uit het door beide partijen overgelegd hiervoren aangehaald schrijven van de behandelende geneesheer, duidelijk blijkt dat [betrokkene 2] over voldoende begrip beschikt om zijn huidige situatie als zeer storend en onbevredigend aan te voelen; dat de Rechtbank een voldoende basis heeft de ideële schade ex bono et aequo te kunnen bepalen; dat de Rechtbank alle omstandigheden in aanmerking genomen, deze voorshands zou willen bepalen op ƒ 30.000,--, doch de definitieve vaststelling daarvan wil aanhouden totdat ook over de andere schade-posten kan worden beslist; 14. dat tenslotte [betrokkene 2] betaling vordert van de kosten die verbonden zijn aan de bewindvoering, deze kosten nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; dat [eisers] , erkennende dat de provisionele bewindvoering een gevolg is van het ten processe bedoelde ongeval, ontkennen dat deze bewindvoering kosten met zich mede brengt; 15. dat anders dan indien een provisionele bewindvoerder ingevolge artikel 380 van het Burgerlijk Wetboek (nieuw) benoemd is, een provisionele bewindvoerder die op grond van artikel 33 van de Krankzinnigenwet is benoemd, niet steeds recht op loon heeft; dat in casu, nu de bewindvoerster de moeder van de verpleegde is, de Rechtbank van oordeel is dat de bewindvoerster in redelijkheid geen loon toekomt; dat, nu [eisers] gemotiveerd hebben ontkend dat de bewindvoerster nog andere kosten heeft moeten maken die zij [betrokkene 2] in rekening kan brengen, op [betrokkene 2] de bewijslast daarvan rust, tot welk bewijs de Rechtbank [betrokkene 2] overeenkomstig zijn aanbod mede zal toelaten als in het dictum omschreven;’’; dat, nadat twee getuigen waren gehoord, [betrokkene 2] zijn eis voor wat de voormelde schade-post sub 3 betreft, waarop het eerste deel van de bewijsopdracht betrekking had, heeft verminderd van ƒ 9.311,54 tot ƒ 4.951,65; A het uitgangspunt van rechtsoverweging 12 van het interlocutoir vonnis, te weten: ‘’dat [betrokkene 2] over voldoende begrip beschikt om zijn huidige situatie als zeer storend en onbevredigend aan te voelen’’, is voorshands onvoldoende gefundeerd en dient als vraag ter beantwoording te worden voorgelegd aan een door het Hof aan te wijzen psychiatrisch deskundige; B de Rechtbank heeft daarbij niet onderkend dat het doel van een immateriële schadevergoeding is rechtstreeks iets te herstellen bij en in de persoon van het slachtoffer, waardoor dat slachtoffer iets van het leed als verzacht gevoelt, en dat zulks in dit geval onmogelijk is; C ten onrechte heeft de Rechtbank niet of onvoldoende in haar beschouwingen betrokken de vraag, of het toegekende bedrag voor gederfde en te derven levensvreugde in het voordeel van [betrokkene 2] kan worden besteed en adequaat kan worden aangewend, en heeft zij deze vraag afgedaan met de opmerking, dat dit niet vermag af te doen aan het thans in Nederland geldende recht van [betrokkene 2] in eerste aanleg op immateriële schadevergoeding; 2. de Rechtbank het bedrag van f 1.641,94 ten onrechte als terugvorderbaar aangemerkt, aangezien dit bedrag inmiddels is verjaard, zodat dit onderdeel van de vordering alsnog moet worden afgewezen; 3. weliswaar is juist hetgeen de Rechtbank met betrekking tot de door Bundesknappschaft aan [betrokkene 2] gedane betalingen heeft overwogen, doch inmiddels is gebleken dat Bundesknappschaft wegens aan [betrokkene 2] gedane en in de toekomst te verstrekken uitkeringen blijkens haar brief van 21 januari 1972 een schadeclaim heeft gesteld ten belope van ruim 42.000,-- DM, zodat dit bedrag in mindering dient te komen van hetgeen [betrokkene 2] te vorderen heeft; en 4. in haar overweging aangaande de proceskosten heeft de Rechtbank miskend dat [eisers] hun aansprakelijkheid van den beginne af aan hebben erkend en van mening zijn geweest dat ten onrechte een procedure is aangespannen omdat men, ook reeds vóór de procedure, bereid was omtrent de schadeclaim tot een minnelijke regeling te komen;’’ dat [verweerster] deze grieven heeft bestreden; dat het Hof bij tussenarrest van 10 mei 1973 een onderzoek door deskundigen heeft gelast naar de mogelijkheid om het leed van [betrokkene 2] te verlichten, althans diens leven te veraangenamen met inachtneming van enige in het arrest geformuleerde vraagpunten, na daartoe onder meer te hebben overwogen: ‘’met betrekking tot grief I in het principaal appèl: dat de Rechter gehouden is de schadevergoeding waartoe hij een partij veroordeelt voor zover mogelijk terstond te bepalen, ook indien vergoeding van bij staat op te maken schade is gevorderd; dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de voor [betrokkene 2] uit de bewindvoering voortvloeiende kosten terstond kunnen worden bepaald, doch ten onrechte bij haar onderzoek naar de hoogte van dit gedeelte van de schade er van is uitgegaan dat [betrokkene 2] slechts op vergoeding van bewezen schade aanspraak zou kunnen maken en heeft verzuimd na te gaan of aannemelijk is dat [betrokkene 2] te dier zake meer schade heeft geleden en in de toekomst zal lijden; dat zulks inderdaad het geval is en het Hof de totale schade uit dien hoofde, inclusief het door de Rechtbank toegewezen bedrag van ƒ 26,--, voor het verleden en voor de toekomst begroot op ƒ 1.000,--, waarbij rekening is gehouden met het rentevoordeel hetwelk [betrokkene 2] geniet doordat de in de toekomst uit de bewindvoering voortvloeiende kosten vooraf worden vergoed; dat grief II in het incidenteel appèl faalt omdat niet is in te zien op grond van welke wettelijke bepaling het recht van de gemeente Susteren op terugbetaling van hetgeen zij aan [betrokkene 2] meer heeft betaald dan deze uit hoofde van de tussen hem en de gemeente bestaan hebbende dienstbetrekking toekwam zou zijn verjaard; met betrekking tot grief III in het incidenteel appèl: dat uit de brieven van Bundesknappschaft, Verwaltungsstelle Aachen, van 4 maart 1971 en toegewezen: post 1 ad ƒ 130,-- post 3 ad ƒ 748,83 (pro resto); bij interlocutoir arrest: post 8 ad ƒ 1.000,--; blijkens het in het interlocutoir en dit eindarrest overwogene behoren deze posten te worden verrekend met de door de Bundesknappschaft bereids aan [betrokkene 2] uitbetaalde renten, welke middels dading op [eiseres 3] zijn verhaald; voorts zijn [eisers] aan [verweerster] q.q. wegens immateriële schade verschuldigd een vergoeding van ƒ 50.000,--, benevens de daarop vallende moratoire interessen; deze interessen, berekend van 23 augustus 1967 tot aan de betaling door [eiseres 3] van een voorschotuitkering van ƒ 5.000,-- eind september 1967 en van ƒ 32.963,90 op 5 april 1972, erkend door [verweerster] q.q. beloopt — berekend tot 1 mei 1975 — ƒ 15.636,87; het totaal van immateriële schadevergoeding en de daarop verschuldigde moratoire interessen tot 1 mei 1975 bedraagt derhalve ƒ 65.636,87; hiervan is bereids door [eiseres 3] bijwege van voorschot betaald ƒ 37.963,90, zodat zij per saldo aan [verweerster] q.q. heeft te voldoen ƒ 27.672,97;’’; Overwegende dat [eisers] in het principaal beroep beide arresten van het Hof bestrijdt met het volgende middel van cassatie: ‘’Schending van het Nederlandse recht, en verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid ten gevolge heeft, doordien het Hof, op de in de aangevallen arresten opgenomen overwegingen, waarnaar te dezer plaatse wordt verwezen, met vernietiging van het vonnis, door de Arrondissementsrechtbank te Maastricht tussen partijen gewezen, [eisers] heeft veroordeeld tot betaling aan [betrokkene 2] van de som van ƒ 27.672,97, met rente en kosten, een en ander als in het dictum van het eindarrest vermeld, waarbij het Hof in het bijzonder heeft overwogen met betrekking tot zekere door de Duitse ‘’Bundesknappschaft’’ aan [betrokkene 2] gedane en in de toekomst te verstrekken uitkeringen, waarvan het gekapitaliseerde bedrag door de Bundesknappschaft, Verwaltungsstelle Aachen, was gesteld op 42.000,-- DM (in het tussenarrest in rechtsoverweging 3c) ‘’dat dit voordeel in mindering moet komen van het totaal van alle schadefactoren aangezien voor vergoeding slechts in aanmerking komt het netto-nadeel, dat wil zeggen: de som van alle in geld uitgedrukte schadelijke gevolgen van de onrechtmatige daad, verminderd met de som van alle, eveneens in geld uitgedrukte voordelen welke uit het schadeveroorzakende feit voor de benadeelde voortvloeien’’, en (in het eindarrest in rechtsoverweging 8) dat de derde grief in het incidenteel appel faalt, voor zover zij beoogt de door [eisers] aan de Bundesknappschaft betaalde som van ƒ 42.000,-- DM in mindering te doen strekken op de door hen jegens [betrokkene 2] verschuldigde vergoeding van de immateriële schade, ‘’omdat de uitkeringen door de Bundesknappschaft strekken tot dekking van [betrokkene 2] inkomensschade’’ en dan weer (in het eindarrest in rechtsoverweging 11) dat de schadeposten ad ƒ 130,--, en 8 ad ƒ 1.000,-- betreffende onderscheidenlijk schade aan kleding en schoeisel, en kosten van de provisionele bewindvoerster, voor haar uit de bewindvoering voortvloeiende, ‘’behoren te worden verrekend met de door de Bundesknappschaft bereids aan [betrokkene 2] uitbetaalde renten, welke middels dading op [eiseres 3] zijn verhaald’’, een en ander ten onrechte, 1) omdat de beslissingen van het Hof op het stuk van de door de Bundesknappschaft verstrekte en nog te verstrekken uitkeringen, welke door deze instelling op [eisers] verhaald waren, zijn tegenstrijdig en onbegrijpelijk, aangezien het Hof enerzijds in zijn tussenarrest heeft overwogen, dat deze uitkeringen een voordeel (voor [betrokkene 2] ) vormden, dat in mindering moest komen van het totaal van alle schadefactoren, en in overeenstemming daarmede, in het eindarrest, dat de schadeposten onder 1 en 8 met het gekapitaliseerde bedrag van deze uitkeringen behoorden te worden verrekend, en anderzijds in het eindarrest dit bedrag niet heeft doen strekken in mindering op de vergoedin