Rechtspraak Hoge Raad 1973-12-21
ECLI:NL:HR:1973:3
21 december 1973 nr. 67142 W.d.R. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het arrest van de Hoge Raad van 13 november 1973, waarbij: a. is vernietigd de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 31 augustus 1973, voor zover daarbij de uitlevering aan Groot-Brittannië van [de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1930, van beroep directeur, wonende te [woonplaats] , gedetineerd, toelaatbaar is verklaard ter zake van het in die uitspraak omschreven feit en de overgave van de daarin aangeduide inbeslaggenomen goederen aan de bevoegde autoriteit van Groot-Brittannië is bevolen; b. is bevolen de oproeping van evengenoemde [de opgeëiste persoon] om te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 27 november 1973, teneinde te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering, hem medegedeeld bij de hem op 6 juli 1973 betekende vordering van de Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam; Gelet op het ingevolge voormeld arrest ter openbare terechtzitting van de Hoge Raad van 27 november 1973 gehouden onderzoek; Gehoord de Advocaat-Generaal Remmelink; Gelet op de door en namens de opgeëiste persoon voor de Hoge Raad gevoerde verdediging; Gezien de stukken; Overwegende dat de inleidende vordering van de Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam van 6 juli 1973, gericht tot de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, strekt tot het in behandeling nemen van een op grond van het bepaalde in het te Londen op 26 september 1898 tussen Nederland en Groot-Brittannië gesloten verdrag tot uitlevering van misdadigers langs diplomatieke weg gedaan verzoek tot uitlevering aan het Verenigd Koninkrijk van [de opgeëiste persoon] in verband met de misdrijven, vermeld in artikel II onder de nummers 1 en 4; Overwegende dat de feiten, waarvan de opgeëiste persoon is beschuldigd en ter zake waarvan zijn uitlevering is verzocht, in het bij het verzoek gevoegde “warrant for the arrest” – op 25 juni 1973 tegen hem uitgevaardigd door de ‘’Metropolitan Stipendiary Magistrate” – als volgt zijn omschreven: ‘’1. for that he: in October 23rd, 1972, within the jurisdiction of the Central Criminal Court wounded [getuige 1] with intent to cause him grievous bodily harm. Contrary to Section 18 of the Offences Against the Person Act, 1861. 2. for that he: on January 3rd, 1973, within the jurisdiction of the Central Criminal Court attempted to murder [getuige 1] . Contrary to Common Law: 3. for that he: on January 3rd, 1973, within the Jurisdiction of the Central Criminal Court unlawfully and maliciously caused grievous bodily harm to [getuige 1] with intent to cause him grievous bodily harm. Contrary to Section 18 of the Offences Against the Person Act, 1861.’’; Overwegende dat bij de bovenvermelde uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam de uitlevering van de opgeëiste persoon ter zake van de in het ‘’warrant for the arrest’’ onder 2 en 3 omschreven feiten ontoelaatbaar is verklaard en tegen die beslissing geen beroep in cassatie is ingesteld, zodat die uitspraak in zoverre onherroepelijk is geworden; Overwegende dat het verzoek tot uitlevering thans nog slechts aan de orde is voor zover dit is gedaan in verband met het misdrijf, vermeld in artikel II onder nummer 4 van voormeld verdrag en ter zake van het feit, omschreven onder 1 in het ‘’warrant for the arrest’’; Overwegende dat met betrekking tot het uitleveringsverzoek is voldaan aan de eisen, gesteld bij de artikelen VIII en XII van het te dezen toepasselijke voormeld verdrag ten aanzien van een verzoek tot uitlevering van een beschuldigde; Overwegende dat de opgeëiste persoon ter terechtzitting van de Hoge Raad heeft verklaard, dat hij - genaamd [de opgeëiste persoon] – is de in het uitleveringsverzoek bedoelde persoon en dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit; Overwegende dat namens de opgeëiste persoon is aangevoerd, dat in de omschrijving van het in het ‘’warrant for the arrest’’ onder 1 vermelde feit het woord dat hem is verklaard door [betrokkene 5] : dat de opgeëiste persoon in de avond van de 23ste oktober 1972 tegen [betrokkene 2] zei, dat zij die avond ‘’some business’’ hadden in de Dauphin Club; dat in de Dauphin Club de opgeëiste persoon, [betrokkene 2] , [betrokkene 6] , [getuige 4] en [betrokkene 7] onder elkaar zaten te fluisteren en een kaalhoofdige man aanwezen; dat de opgeëiste persoon Hongaarse [getuige 4] boven naar de trap stuurde en [betrokkene 6] naar de deur toe zond; dat de opgeëiste persoon, [betrokkene 2] en [betrokkene 8] de kale man, aan wie de opgeëiste persoon een pak slaag zou geven, volgden naar het toilet; dat [betrokkene 2] het mes heeft gebruikt tegen [getuige 1] ; dat [betrokkene 2] gek is en alles doet wat de opgeëiste persoon hem zegt; dat [betrokkene 2] erover spreekt dat hij een mes bij zich draagt, waarvoor hij een zakje genaaid heeft in de binnenkant van zijn overjas en dat hij daarover opschept; dat de opgeëiste persoon wat later in de Celebrity Club tegen [betrokkene 2] zei, dat deze zijn werk daar goed had gedaan; b. dat hem is verklaard door [betrokkene 9] : dat [getuige 1] in de avond van de 23ste oktober 1972 in de Dauphin Club naar het toilet ging; dat [betrokkene 2] en de opgeëiste persoon achter hem aan gingen; dat zij hem een les wilden geven, omdat hij [betrokkene 10] daar bij zich had gehad; dat [betrokkene 2] en de opgeëiste persoon [getuige 1] , toen deze uit het toilet kwam, met het hoofd tussen de deur hebben geklemd; 2. [getuige 1] : dat hij in de avond van de 23ste oktober 1972 in de Dauphin Club naar het toilet ging en daar werd aangevallen (als hij zich goed herinnert) door [betrokkene 9], de opgeëiste persoon en nog een andere man; dat hij een mes zag; dat de opgeëiste persoon zei: ‘’Snij hem zijn handen af’’; 3. [betrokkene 11] : dat zij wist, dat de opgeëiste persoon [getuige 1] zocht en dat [getuige 1] zou worden aangevallen; dat de opgeëiste persoon haar vertelde, dat hij van plan was [getuige 1] een goed pak slaag te geven, maar dat zij – toen zij wist, dat [betrokkene 2] met de opgeëiste persoon was meegegaan -wel wist, dat het meer zou worden dan dat; Overwegende dat de opgeëiste persoon nog heeft doen aanvoeren, dat hij niet schuldig is aan het eerste feit, waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, immers hij zelfs niet aanwezig geweest bij het gevecht, waarbij [getuige 1] werd gewond, ter ondersteuning waarvan een beroep is gedaan op daarbij alsnog overgelegde stukken, houdende beëdigde verklaringen van [betrokkene 12] en [betrokkene 13] en een niet beëdigde verklaring van [betrokkene 14] , doch de Hoge Raad die verklaringen, voor zover inhoudende dat de opgeëiste persoon de Dauphin Club reeds zou hebben verlaten, toen [getuige 1] aldaar werd gewond, tegenover de uit de bij het uitleveringsverzoek overgelegde beëdigde getuige-verklaringen voortvloeiende sterkere aanwijzingen voor het tegendeel van onvoldoende gewicht oordeelt en dan ook het op de eerstvermelde verklaringen gebaseerde betoog verwerpt; Overwegende dat uit al het vorenoverwogene volgt, dat aan de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ter zake van het in het ‘’warrant for the arrest’’ onder I omschreven feit niets in de weg staat; Overwegende dat, nu ten aanzien van de onder de opgeëiste persoon inbeslaggenomen voorwerpen – te weten: een internationaal rijbewijs ten name van [naam] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1926, verder een zwart notitieboekje met telefoonnummers alsmede een zwarte zakagenda – niet is gebleken, dat deze door misdrijf zijn verkregen of tot bewijs van het misdrijf, ter zake waarvan de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard, kan dienen, voor een bevel tot overgave van die voorwerpen aan de bevoegde autoriteit van Groot-Brittannië geen aanleiding bestaat, in verband waarmede de Hoge Raad de teruggave van die voorwerpen aan de opgeëiste persoon zal bevelen; Overwegende ten slotte met betrekking tot het namens de opgeëiste persoon wederom gedaan verzoek tot zijn