Rechtspraak Hoge Raad 1971-02-26
ECLI:NL:HR:1971:AC5093
26 februari 1971 JB. De Hoge Raad der Nederlanden , in de zaak nr. 10.463 van de gemeente Rotterdam , wier zetel is gevestigd te Rotterdam, eiseres tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 april 1970, vertegenwoordigd door Jhr. Mr. J.H. de Brauw, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n [verweerster] , weduwe van [betrokkene 1] , wonende te [woonplaats] , verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J. Kist, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal Berger namens de Procureur-Generaal, in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiseres tot cassatie in de kosten op de voorziening gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt: dat verweerster in cassatie — verder te noemen [verweerster] — eiseres tot cassatie — verder te noemen de Gemeente — bij exploot van 29 september 1967 heeft gedagvaard voor de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam, stellende: ‘’1) dat op donderdag, de 20e juli 1967 om ongeveer 15.00 uur op de Mariniersweg in de gemeente Rotterdam een ongeval is overkomen aan [verweerster] , terwijl zij zich als passagier bevond in een tramwagen van lijn 10 van de Rotterdamse Electrische Tram, waarmede de dienst werd uitgeoefend; 2) dat [verweerster] in de tramwagen kwam te vallen, waarbij zij ernstig werd gewond, zodat zij in het Bergwegziekenhuis moest worden opgenomen; 3) dat de voormelde tramlijn 10 is een openbaar middel van vervoer, waarvan de Gemeente is de ondernemer; 4) dat de Gemeente krachtens de door haar met [verweerster] gesloten vervoersovereenkomst verplicht was [verweerster] veilig te vervoeren, zodat de Gemeente in dient te staan voor de door [verweerster] in verband met het vervoer geleden en te lijden schade, waaronder mede is te begrijpen onstoffelijke schade; 5) dat de grootte van de schade nog niet is vast te stellen; 6) dat de Gemeente haar aansprakelijkheid betwist; 7) dat [verweerster] subsidiair stelt dat het voormelde ongeval is te wijten aan de schuld en de onrechtmatige daad van de trambestuurder, die de tramwagen, waarin [verweerster] zich bevond, bestuurde in de werkzaamheden, waartoe hij door de Gemeente werd gebruikt, zodat de Gemeente voor diens onrechtmatige daad aansprakelijk is; 8) dat immers de bestuurder, terwijl [verweerster] was ingestapt en doende was het wisselgeld voor haar plaatsbewijs in ontvangst te nemen, zo plotseling en krachtig van een halte wegtrok, dat [verweerster] , die een bejaarde vrouw is, kwam te vallen;’’; dat [verweerster] op deze gronden heeft gevorderd veroordeling van de Gemeente bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, ter zake voorschreven aan [verweerster] te vergoeden alle schade, kosten en interessen, nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de wet, met de rente daarover ad 5% 's jaars vanaf de dag der dagvaarding tot die der voldoening en verwijzing van de Gemeente in de kosten der procedure; dat na door de Gemeente gevoerd verweer de Rechtbank [verweerster] heeft toegelaten door getuigen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit is af te leiden, dat het ongeval te wijten is geweest aan de schuld van de bestuurder van de tramwagen; dat de Rechtbank daartoe heeft overwogen: ‘’dat als erkend, dan wel niet of onvoldoende weersproken, tussen partijen vaststaat: dat op 20 juli 1967 op de Mariniersweg te Rotterdam een ongeval is overkomen aan [verweerster] , terwijl zij zich als passagier bevond in een tramwagen van lijn 10 van de Rotterdamse Electrische Tram, waarbij zij in de tramwagen kwam te vallen, ten gevolge waarvan zij ernstig werd gewond, zodat zij in het Bergwegziekenhuis in Rotterdam moest worden opgenomen; dat dientengevolge door [verweerster] schade, waaronder mede is te begrijpen onstoffelijke schade, is en wordt geleden; dat [verweerster] aan haar vorderingen ten grondslag legt voormelde vaststaande feiten en vo n de regelen van het burgerlijk recht met betrekking tot de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad — te weten een omkering van de bewijslast — de toepassing dier bepalingen beperkt moet blijven tot die soorten van vervoer waartoe zij in het bijzonder in het leven geroepen zijn, zodat voor analogische toepassing generlei grond bestaat; dat als niet weersproken vaststaat, dat de bestuurder van de tramwagen, die bij het ongeval betrokken was, de tramwagen bestuurde in de werkzaamheden, waartoe hij door de Gemeente werd gebruikt; dat niet voldoende gemotiveerd is weersproken de stelling van [verweerster] , dat zij tengevolge van het optrekken van de tram (uit stilstand) is gevallen, zodat zulks eveneens ten processe vaststaat; dat echter, waar de Gemeente zulks gemotiveerd heeft weersproken, de Rechtbank [verweerster] overeenkomstig haar aanbod zal toelaten door getuigen te bewijzen feiten en omstandigheden, waaruit is af te leiden, dat het ongeval te wijten is geweest aan de schuld van de bestuurder van de tramwagen’’; dat [verweerster] van dit vonnis in hoger beroep is gekomen bij het Hof; dat het Hof het vonnis heeft vernietigd, de Gemeente heeft toegelaten te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat de door [verweerster] geleden en te lijden schade buiten de schuld van de Gemeente of die van haar ondergeschikten is ontstaan, met verwijzing van de zaak naar de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam; dat het Hof hiertoe heeft overwogen: ‘’1. Van de twee grieven van [verweerster] luidt de eerste: ten onrechte heeft de Rechtbank overwogen dat de vorderingen van [verweerster] hun grondslag niet kunnen vinden in de vervoersovereenkomst, omdat de overeenkomst betreffende het vervoer van reizigers per tram niet reeds naar zijn aard inhoudt, dat de vervoerder instaat voor de absolute veiligheid van de reiziger, aangezien de reiziger — anders dan een vervoerd goed — een zelfstandig handelend wezen is en het zelfstandig handelen van de reiziger tijdens het vervoer gevaren kan inhouden, welke voor de vervoerder, ook als deze de vereiste veiligheidsmaatregelen heeft genomen, niet in volle omvang zijn te overzien. 2. [verweerster] heeft in eerste aanleg niet alleen gesteld, dat zij, toen haar het litigieuze ongeval is overkomen, zich als passagier in een tramwagen van lijn 10 van de Rotterdamse Electrische Tram bevond — welk een en ander door de Rechtbank als tussen partijen vaststaand is beschouwd — maar tevens, dat zij de door het ongeval ondervonden schade had geleden en zou lijden in verband met het vervoer. 3. De lezingen van partijen stemmen hierin overeen, dat [verweerster] is gevallen toen de tramwagen, nadat [verweerster] was ingestapt, van stilstand in beweging werd gebracht en dit mede brengt, dat [verweerster] de gestelde schade heeft geleden en zal lijden in verband met het vervoer. 4. Hieruit volgt dat de Gemeente aansprakelijk is voor deze schade, tenzij blijkt, dat die schade buiten schuld van haar als ondernemer van de spoorweg of van haar ondergeschikten is ontstaan. Zodanige regeling van de bewijslast is neergelegd zowel in artikel 1 der Spoorwegwet en artikel 9 der Wet Openbare Vervoermiddelen, als in artikel 5 lid 2 Wet van 9 juli 1900, Stb. 118, (‘’Lokaalspoor- en Tramwegwet’’), luidende: ‘’’’De ondernemer is verantwoordelijk voor de schade door de reizigers bij de uitoefening van den dienst geleden, ten ware de schade buiten zijne schuld of die zijner beambten of bedienden zij ontstaan.’’’’ 5. Weliswaar is — indien met de Gemeente wordt aangenomen dat haar spoorwegen zijn spoorwegen, waarop geen ander vervoer plaats heeft dan personenvervoer binnen de gemeente Rotterdam, dan wel met laatstbedoelde spoorwegen op de voet van artikel 8 lid 2 der Lokaalspoor- en Tramwegwet gelijkgestelde spoorwegen of spoorweggedeelten — ingevolge het eerste lid van even genoemd voorschrift het in deze wet omtrent tramwegen bepaalde, en dus ook artikel 5 lid 2 dier wet, op de spoorwegen van de Gemeente niet van toepassin Omtrent de toedracht heeft de Gemeente in eerste aanleg gesteld dat, nadat de achter in de tramwagen gezeten conducteur de achterdeur had gesloten, op het groene afrijdsignaal had gedrukt en een kaartje gereed hield voor [verweerster] die voor het loket stond, de tram bleef wachten voor een rood verkeerslicht en [verweerster] onderwijl naar haar geld zocht, dat, toen het verkeerslicht op groen sprong, de bestuurder de tram langzaam in beweging had gebracht, [verweerster] haar evenwicht heeft verloren en, doordat zij zich niet vasthield aan een der ter plaatse aangebrachte steunpalen, ten val is gekomen. De Gemeente heeft betoogd, dat trampassagiers weten dat zij het wegrijden van de tram kunnen verwachten vanaf het moment, dat de deuren na het in- en uitstappen weer zijn gesloten. [verweerster] heeft gesteld dat, toen zij was ingestapt en bij de halte doende was haar wisselgeld in ontvangst te nemen, de tram zo plotseling en hevig is opgetrokken, dat [verweerster] haar evenwicht verloor en kwam te vallen. [verweerster] heeft betoogd, dat trampassagiers, die nog staan om kaartjes te kopen en wisselgeld in ontvangst te nemen, zich doorgaans niet kunnen vasthouden, althans dat zulks niet van hen geëist mag worden. 11. De lezing van de Gemeente kan, indien bewezen, leiden tot de gevolgtrekking dat de schade buiten de schuld van de Gemeente of haar ondergeschikten is ontstaan. Tegenover de gemotiveerde betwisting van [verweerster] zal de Gemeente bewijs van haar lezing hebben te leveren. Overeenkomstig het door haar subsidiair gedaan bewijsaanbod kan de Gemeente tot na te melden bewijslevering door getuigen worden toegelaten. 12. De tweede grief van [verweerster] , waarmede zij bestrijdt dat haar is opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit is af te leiden, dat het ongeval te wijten is geweest aan de schuld van de bestuurder van de tramwagen, behoeft, nu reeds het voorafgegane er toe leidt dat niet aan [verweerster] doch aan haar wederpartij bewijs wordt opgedragen, geen onderzoek meer. Het vonnis, waarvan beroep, kan niet in stand blijven.’’; Overwegende dat de gemeente dit arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie: ‘’Schending van Nederlands recht en verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Hof heeft geoordeeld, dat nu [verweerster] de gestelde schade heeft geleden en zal lijden in verband met het vervoer, daaruit volgt dat de Gemeente aansprakelijk is voor deze schade, tenzij blijkt, dat die schade buiten schuld van haar als ondernemer van de spoorweg of van haar ondergeschikten is ontstaan, zulks hoewel veronderstellenderwijs met de Gemeente aannemend — waarvan in cassatie voor de beoordeling van 's Hofs beslissing mag worden uitgegaan —, dat de spoorwegen der Gemeente (de tramlijnen van de Rotterdamse Electrische Tram) zijn spoorwegen, waarop geen ander vervoer plaats heeft dan personenvervoer binnen de gemeente Rotterdam dan wel met laatstbedoelde spoorwegen op de voet van artikel 8 lid 2 der Lokaalspoor- en Tramwegwet gelijkgestelde spoorwegen of spoorweggedeelten, daartoe overwegend, dat zodanige regeling van de bewijslast is neergelegd zowel in artikel 1 der Spoorwegwet en artikel 9 der Wet Openbare Vervoermiddelen als in artikel 5 lid 2 Wet van 9 juli 1900 Stb. 118 (‘’Lokaalspoor- en Tramwegwet’’), welke regeling van de bewijslast volgens het arrest geacht moet worden ook voor der partijen vervoersovereenkomst te gelden, hoewel naar 's Hofs oordeel het in de Lokaalspoor- en Tramwegwet omtrent tramwegen bepaalde en dus ook artikel 5 lid 2 dier wet op de spoorwegen van de Gemeente niet van toepassing is, zulks op grond van het in de rechtsoverwegingen 6 en 7 overwogene (waarnaar hier wordt verwezen), hetgeen nu niet is gesteld of gebleken dat de Gemeente met betrekking tot spoorwegen, waarop geen ander vervoer plaats heeft dan personenvervoer binnen het gebied dier gemeente, of daarmede gelijkgestelde spoorwegen of spoorweggedeelten, anders heeft bepaald dan in art