Rechtspraak Hoge Raad 1967-04-18
ECLI:NL:HR:1967:AD7999
18 april 1967. Nr. 63763. Mo. De Hoge Raad der Nederlanden , Op het beroep van [rekwirant] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1923, veehandelaar, wonende te [woonplaats] , rekwirant van cassatie tegen een mondeling vonnis van de Kantonrechter te Alphen aan de Rijn van 4 november 1966, waarbij rekwirant ter zake van “overtreding of niet nakoming van het bepaalde bij artikel 19 van de Keur of Politieverordening van de Verenigde Bloklandse- en Korteraarse Polder”, onder aanhaling van de artikelen 3, 18, 19, 27 van die regeling, 23, 91 van het Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot een geldboete van twee gulden, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis gedurende één dag; Gehoord het verslag van de Raadsheer Eijssen; Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt, ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald; Gelet op de middelen van cassatie, namens de rekwirant voorgesteld bij schriftuur en nader toegelicht bij pleidooi, luidende: “Verzuim van vormen en schending van het recht op de volgende gronden: I. Krachtens artikel 94 van het Algemeen Reglement voor de Polders in de Provincie Zuid-Holland bepaalt de Keur of Politieverordening van de Verenigde Bloklandse en Korteraarse Polder onder de Gemeente Ter Aar in de artikelen 3 en 19, dat requirant die gedeelten van waterleidingen moet onderhouden, welke grenzen aan landen, die zijn eigendom zijn.De eigenaren van alle in de betreffende polder gelegen landen zijn evenzeer gebaat bij doeltreffend onderhoud van deze waterleidingen, onverschillig of hun landen nu wel of niet aan deze waterleidingen liggen.De voormelde voorschriften leggen dus naar willekeur lasten op aan een toevallige kleine groep van eigenaren wier landen liggen langs de waterleidingen en laat de andere, veel grotere groep daarbuiten onbelast. Aldus wordt gehandeld in strijd met een beginsel van goed bestuur, dat o.m. is neergelegd in de artikelen 4, 5 en 189 van de Grondwet (tekst van 1956), doordat naar willekeur wordt gediscrimineerd in het opleggen van lasten door een overheidslichaam. Zulk een discriminatie zou wellicht formeel bij wet kunnen worden toegepast, doch zeker niet bij verordening, reglement of keur, zodat de betreffende bepalingen onverbindend zijn. II. Ook al zou aangenomen worden, dat een verplichting tot onderhoud als voormeld wel door de bevoegde instanties aan requirant als eigenaar van een of meer percelen land, die toevallig aan een waterleiding zijn gelegen, kan worden opgelegd met voorbijgaan van alle andere eigenaren van percelen land in dezelfde polder, die evenzeer zijn gebaat bij dat onderhoud, dan brengen de beginselen van goed bestuur mede, dat in de betreffende voorschriften de mogelijkheid aan de aldus belaste eigenaren wordt geboden zich aan die verplichting te onttrekken door betaling van een som gelds ter vervanging van de gevorderde praestatie. Toelichting: Het gevorderde onderhoud dient periodiek te geschieden. Er is geen sprake van een noodtoestand.Uit de gedingstukken in prima blijkt, dat de werkzaamheden, uitgevoerd door of vanwege het Polderbestuur, ƒ 36,- hebben bedragen. De desbetreffende voorschriften dienen, om verbindend te kunnen zijn, zulk een ontsnappingsclausule te hebben, nu deze zonder bezwaar kan worden toegepast.De voorschriften missen bindende werking, nu zij zulk een clausule niet hebben”; Gehoord de Advocaat-Generaal Berger namens de Procureur-Generaal in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep;Overwegende dat bij het bestreden vonnis te laste van rekwirant is bewezen verklaard:“dat hij te Ter Aar, als, ingevolge artikel 3 der Keur of Politieverordening van de Verenigde Bloklandse en Korteraarse Polder onder de gemeente Ter Aar, onderhoudsplichtige van het gedeelte van de ringsloot om de Droogmakerij (afd. III) dat gelegen was langs de in die polder gelegen percelen land waarvan hij de eigenaar en gebruiker was, niet heeft gez