Rechtspraak Hoge Raad 1967-04-14
ECLI:NL:HR:1967:AC3505
14 april 1967 Br. De Hoge Raad Der Nederlanden, in de zaak nr. 10.099 van [eiser] , wonende te [woonplaats 1], eiser tot cassatie van een tussen partijen gewezen vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Assen van 17 januari 1967, vertegenwoordigd door Mr. A. Mout, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n 1. [verweerster 1] , weduwe van [verweerder 2], 2. [verweerder 2] , beiden wonende te [woonplaats 2], verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. C.H. Telders, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal van Oosten, namens de Procureur-Generaal, concluderend tot verwerping van het cassatieberoep en tot veroordeling van de eiser in de kosten welke aan de zijde der verweerders op het cassatieberoep zijn gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden vonnis en de stukken van het geding blijkt: dat de verweerders in cassatie, [verweerster 1] en [verweerder 2], de eiser tot cassatie, [eiser], bij dagvaarding van 20 augustus 1965 hebben gedaagd voor de Kantonrechter te Emmen, en op grond van een aantal in de dagvaarding nader omschreven wanprestaties hebben gevorderd, kort samengevat en voor zoveel in cassatie nog van belang, ontbondenverklaring van een overeenkomst van 27 juli 1960, waarbij zij aan [eiser] hadden verhuurd het perceel [a-straat 1 en 2] te [woonplaats 2], alsmede veroordeling van [eiser] tot ontruiming van dit perceel; dat zij in de loop van het geding voor de Kantonrechter bij conclusie tot verandering van eis nog andere wanprestaties van [eiser] aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd; dat de Kantonrechter te Emmen bij eindvonnis van 15 juli 1966 aan [verweerster 1] en [verweerder 2] hun vorderingen heeft ontzegd, en deze van dit vonnis in hoger beroep zijn gekomen bij de Arrondissements-Rechtbank te Assen; dat de Rechtbank bij het thans bestreden vonnis heeft vastgesteld, voor zover in cassatie nog van belang: “2. De feiten voor zover deze tussen partijen in eerste en tweede instantie zijn komen vast te staan en voor zover van belang, zijn de navolgende: a. Bij schriftelijke overeenkomst van 27 juli 1960 hebben [verweerster 1] en [verweerder 2] aan [eiser] verhuurd het perceel aan het Marktplein 5 te [woonplaats 2], “om te worden gebruikt als horeca-bedrijf met woning”. b. In de huurovereenkomst is onder meer bepaald, dat [eiser], de huurder, zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder, het gehuurde noch geheel, noch gedeeltelijk door derden mag laten gebruiken of aan derden in onderhuur mag afstaan. d. In juni 1964 heeft [eiser] het door hem in het gehuurde gedreven horeca-bedrijf omgezet in een naamloze vennootschap, waarin hij al zijn rechten en verplichtingen heeft ingebracht, ook die voortvloeiende uit de huurovereenkomst, met dien verstande, dat hij bij gebrek aan medewerking van [verweerster 1] en [verweerder 2] zich bij afzonderlijke akte tegenover de N.V. verbond, om zich tegenover [verweerster 1] en [verweerder 2] als “enige” huurder te blijven gedragen, doch bij het uitoefenen van zijn rechten en het voldoen aan zijn verplichtingen als zodanig de aanwijzingen en opdrachten van de N.V. stipt na te komen, steeds te dier zake overleg met de N.V. te plegen en haar goedkeuring te vragen. e. In november 1964 heeft [eiser] het door hem en zijn gezin bewoonde gedeelte van het perceel – dat op kosten van [verweerster 1] en [verweerder 2] voor bewoning door hem was ingericht – verlaten en zich elders in [woonplaats 2] gevestigd, doch zijn zoon daarin laten wonen, en sinds diens huwelijk in 1966 ook diens echtgenote. 5. Ten aanzien van de inbreng in een N.V. is door [eiser] aangevoerd, dat zulks uitsluitend om fiscale redenen is geschied, dat hij enig aandeelhouder is en dat hij als privé-persoon blijkens de genoemde akte huurder is gebleven, zodat er voor [verweerster 1] en [verweerder 2] daardoor niets is veranderd. 6. Voorts heeft [eiser] gesteld, dat hij om medische redenen het pand niet meer bewoont, doch dat zijn zoon daar thans wonende d Naar het oordeel van de Rechtbank dient op grond van het voorgaande te worden beslist, dat [eiser] in ernstige mate in strijd met zijn verplichtingen als huurder heeft gehandeld en dat deswege de huurovereenkomst behoort te worden ontbonden. Het vonnis in prima dient derhalve te worden vernietigd. De oorspronkelijke vordering van [verweerster 1] en [verweerder 2] is ook overigens voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat de Rechtbank de termijn van ontruiming zal stellen op drie maanden, komende de gevraagde termijn van twee dagen haar ondoenlijk voor.”; dat de Rechtbank op grond hiervan met vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden heeft verklaard en [eiser] tot ontruiming heeft veroordeeld; Overwegende dat [eiser] het vonnis van de Rechtbank bestrijdt met de volgende middelen van cassatie: “1. Verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven of waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm en/of schending van het recht inzonderheid van de rechtsregels neergelegd in de artikelen: 175 van de Grondwet, 20 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, 48, 59, 343, 347, 349, 353, 611 a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1275, 1278, 1279, 1280, 1302, 1303, 1374, 1375, 1378, 1379, 1380, 1381, 1595, 1596 van het Burgerlijk Wetboek, 1, 18, 19 en 29 der Huurwet en 40 a van het Wetboek van Koophandel doordat de Rechtbank in het vonnis waartegen dit cassatieberoep is gericht en waarvan de inhoud als hier geinsereerd is te beschouwen de ten processe bedoelde huurovereenkomst heeft ontbonden verklaard op grond van wanprestatie van [eiser] met verdere op die ontbondenverklaring volgende beslissingen, ten onrechte en in strijd met het recht op grond van het navolgende: De hierboven weergegeven beslissing steunt onder meer op de overweging, dat [eiser] – gelijk de Rechtbank in de tweede rechtsoverweging vaststelt – het door hem in het gehuurde gedreven horeca-bedrijf heeft omgezet in een naamloze vennootschap, waarin hij al zijn rechten en verplichtingen heeft ingebracht, ook die voortvloeiende uit de huurovereenkomst, met dien verstande, dat hij bij gebreke aan medewerking van de verhuurders zich bij afzonderlijke akte tegenover de N.V. verbond, om zich tegenover de verhuurders als “enige” huurder te blijven gedragen, doch bij het uitoefenen van zijn rechten en het voldoen aan zijn verplichtingen als zodanig de aanwijzingen en opdrachten van de N.V. stipt na te komen, steeds te dier zake overleg met de N.V. te plegen en haar goedkeuring te vragen. Voorts heeft de Rechtbank juist geoordeeld de stelling van [eiser], dat hij als enige aandeelhouder alle zeggenschap in de vennootschap bezit en derhalve alleen over het gebruik en de wijze van het gebruik van het gehuurde kan beslissen. Deze en de andere dienaangaande door de Rechtbank vastgestelde feiten beletten om aan te nemen, dat [eiser] door de bovenbedoelde inbreng in de N.V. de huur aan een ander heeft afgestaan, in de zin van het bepaalde bij artikel 1595 van het Burgerlijk Wetboek alsmede dat [eiser] gehandeld heeft in strijd met de door de Rechtbank in rechtsoverweging 2 b aangehaalde bepaling in de huurovereenkomst, dat [eiser] het gehuurde noch geheel, noch gedeeltelijk door derden mag laten gebruiken, of aan derden in onderhuur mag afstaan, waarbij nog in het bijzonder te letten valt op de bepaling van artikel 7 der overeenkomst van partijen, handelend over voormeld verbod, welker slotwoorden luiden “Het in dit artikel gestipuleerde beoogt niet in strijd te komen met de aard van het in het gehuurde gevestigde bedrijf”, en de omstandigheid, dat de inbreng in de N.V. in het geheel niet in strijd komt met de aard van het in het gehuurde gevestigde bedrijf. 2. Verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven of waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen norm en/of schending van het recht inzonderheid van de rechtsregels neergelegd in de artikelen