Rechtspraak Hoge Raad 1960-03-22
ECLI:NL:HR:1960:65
22 maart 1960. vB. No. 60278. De Hoge Raad der Nederlanden , Op het beroep van den Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage , requirant van cassatie tegen een arrest van dat Gerechtshof, Economische Kamer, van 4 November 1959, waarbij, met vernietiging in hoger beroep van een mondeling vonnis van den Economischen Politierechter in de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage van 1 Juli 1959, [requirant] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1934, winkelier, wonende aldaar, ter zake van het te zijnen aanzien bewezenverklaarde werd ontslagen van alle rechtsvervolging; Gehoord het verslag van den Raadsheer Feber; Gezien het gerechtelijk schrijven namens den Procureur-Generaal aan den gerequireerde uitgereikt, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld bij schriftuur en luidende: ‘’Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 16, 17, 18 en 24 Vestigingswet Bedrijven 1954, 1 en 2 Vestigingsbeschikking boekverkopersbedrijf 1958, artikel 7 der Grondwet, de artikelen 350, 351, 352 en 358 Wetboek van Strafvordering, 1, 2 en 6 Wet op de economische delicten, doordat het Gerechtshof het veroordelend vonnis van de Economische Politierechter te 's-Gravenhage d.d.: 1 Juli 1959 heeft vernietigd en verdachte heeft ontslagen van rechtsvervolging op grond van de overweging, dat gemelde vestigingsbeschikking het bedrijfsmatig verkopen van boeken afhankelijk stelt van voorafgaand verlof van de overheid, hetgeen strijdt met artikel 7 der Grondwet, zulks ten onrechte, daar van strijd met artikel 7 der Grondwet geen sprake is." Gehoord den Advocaat-Generaal van Oosten namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie, strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep; Overwegende dat het Hof ten laste van gerequireerde achtereenvolgens heeft bewezen verklaard het primair en het subsidiair te laste gelegde, te weten: ‘’dat hij te [plaats] , in de maand Maart 1959, althans op of omstreeks 1 April 1959, in een door hem in perceel [a-straat 1] gedreven sigarenwinkel, zijnde die winkel een besloten ruimte, waarin toen een kleinhandelsbedrijf placht te worden uitgeoefend in rechtstreekse aanraking met het publiek, het boekverkopersbedrijf heeft uitgeoefend, zijnde dit het bedrijfsmatig aan anderen dan wederverkopers verkopen van boeken, in casu van pocketbooks, zulks zonder vergunning van de Sociaal-Economische Raad, althans indien en voorzover ten aanzien van het hier voor te laste gelegde geen veroordeling mocht worden uitgesproken, terzake dat hij alstoen aldaar in die door hem in dat perceel gedreven sigarenwinkel zoals hiervoor omschreven het boekverkopersbedrijf heeft uitgeoefend, zijnde dit het bedrijfsmatig aan anderen dan wederverkopers verkopen van boeken, in casu pocket-books, zonder vergunning van de Sociaal-Economische Raad, zulks terwijl hij, verdachte, op 29 November 1958 dat boekverkopersbedrijf nog niet in die sigarenwinkel in dat perceel uitoefende;" dat het Hof gerequireerde ter zake van het aldus achtereenvolgens bewezen verklaarde heeft ontslagen van rechtsvervolging, zijnde dit niet strafbaar, daarbij omtrent de Vestigingsbeschikking boekverkopersbedrijf 1958 overwegende: ‘’dat gemelde beschikking het bedrijfsmatig verkopen van boeken — een, zelfs in het bijzonder, geëigend middel van verspreiding van door de drukpers in boekvorm geopenbaarde gedachten en gevoelens — dus in wezen ook het openbaren van die gedachten en gevoelens, afhankelijk stelt van voorafgaand verlof der overheid, hetgeen strijdt met artikel 7 van de Grondwet;" Ten aanzien van het middel: Overwegende dat dit aldus is toegelicht: ‘’Naar algemeen wordt aangenomen brengt het grondrecht van vrijheid van drukpers neergelegd in artikel 7 der Grondwet mede de vrijheid tot verspreiding der door deze bepaling als voortbrengselen der drukpers beschermde geestesuitingen. Deze vrijheid kan ingevolge de jurisprudentie van Uw Raad aan geen preventieve