Rechtspraak
Hoge Raad
1949-10-18
ECLI:NL:HR:1949:107
Strafrecht
Herziening
3,170 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:1949:107 text/xml public 2026-05-01T11:15:49 2018-07-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 1949-10-18 3338 Uitspraak Herziening NL Den Haag Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:1949:3 Rechtspraak.nl NJ 1950/4 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1949:107 text/html public 2026-04-09T14:21:51 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:1949:107 Hoge Raad , 18-10-1949 / 3338 - No.3338. Herziening. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN , beschikkende in raadkamer, op de aanvrage van [aanvrager] , koopman, geboren [geboortedatum] 1883 te [geboorteplaats] en wonende aldaar, om herziening van een uitspraak van het Tribunaal te Amsterdam van den twintigsten December 1947 - Waarop het "fiat executie" is verleend door de Hoge Autoriteit te Amsterdam den 24sten Februari 1948 - , waarbij hij er aan schuldig verklaard is, "dat hij, Nederlander zijnde, tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa vertrouwelijk omgang heeft gehad met een Duitse officier, genaamd [betrokkene 1] , die behoorde tot de militaire bezettende macht; op welke grond hij geacht moet worden zich desbewust te hebben gedragen in strijd met de belangen van het Nederlandse volk", voorts dit verklaard is te vallen onder artikel 1 van het Tribunaalbesluit en hem ter zake zijn opgelegd de maatregelen: 1. internering, waarbij in overweging gegeven wordt de tijdsduur daarvan te beperken tot den door hem vanaf 22 Juni - 13 Aug. 45 in vóór-internering doorgebrachten tijd; 2. ontzetting van het recht van kiezen en verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen; 3. verbeurdverklaring van al zijn van Overheidswege inbeslaggenomen goederen; met bepaling voorzoveel nodig dat het beheer van zijn vermogen een einde zal nemen binnen 3 maanden nadat de verbeurdverklaring zal zijn geeffectueerd en op deze uitspraak het "fiat executie" is verleend; Gezien de conclusie van den Advocaat-Generaal Langemeijer , namens den Procureur-Generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek; Gezien de stukken; Overwegende dat de aanvrage tot herziening van voor melde uitspraak ten aanzien van de daarin als bewijsmiddel gebezigde verklaringen van drie getuigen omstandigheden aanvoert, welke volgens zijn opgave niet ter kennis van het Tribunaal gebracht waren en ernstig vermoeden doen ontstaan dat, waren zij op de terechtzitting bekend geweest, het onderzoek geleid zou hebben tot verzoekers vrijspraak; dat die aanvrage ervan uitgaat, dat ons recht herziening van uitspraken van Tribunalen kent; dat echter de wetgever noch in het die uitspraken regelend Tribunaalbesluit (E 101) noch in de tijdelijke wijziging van dit besluit ( E 153) dat rechtsmiddel tegen die uitspraken geschapen heeft en zulks desbewust moet hebben nagelaten, nu hij korten tijd tevoren van de uitspraken van de Bijzondere Gerechtshoven en van den Bijzonderen Raad van Cassatie herziening in artikel 1 van het Besluit Buitengewone Rechtspleging (D 63) uitdrukkelijk ingevoerd en in de artikelen 40-42 nader geregeld had, en hij voorts, in E 101 en E 153 telkens bepaaldelijk aanwijzend, welke artikelen van het Wetboek van Strafvordering van toepassing of van overeenkomstige toepassing zouden zijn, daaronder artikelen van den de herziening regelenden Titel VIII van het Derde Boek van dat Wetboek niet heeft opgenomen; dat de Wet overgang bijzondere rechtspleging (Wet van 13 Mei 1948,Staatsblad I 186), die onder meer de herziening van laatstbedoelde uitspraken aan gewijzigde regelen onderwierp, desbewust de herziening van eerstbedoelde uitspraken heeft doen blijven ontbreken; dat toch bij de totstandkoming dezer wet, in het mondeling overleg tussen de vaste Commissie voor Privaat- en Strafrecht uit de Tweede Kamer en den Minister van Justitie, door de Commissie aan den Minister verzocht werd te overwegen "of de mogelijkheid van herziening behoort te worden ingevoerd", doch, toen de Minister verklaarde "invoering van het instituut der herziening niet nodig te achten " , door haar werd ingezien dat invoering "een vrij uitvoerige regeling nodig zou maken, welke niet gemakkelijk in dit wetsontwerp zou kunnen worden opgenomen", waarna de Minister op een overeenkomstige vraag in het Voorlopig Verslag der Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer wederom afwijzend antwoordde, mededelend dat volgens het eenstemmig advies van de Hoge Autoriteiten "in de practijk van de behoefte aan herziening van tribunaaluitspraken haar niet in enig geval is gebleken. Wel bestaat de behoefte aan vermindering van de opgelegde maatregelen", waarin evenwel door een drietal regelingen was en, bij dit wetsontwerp, nog" werd voorzien; dat, nu derhalve ons recht de herziening van uitspraken Van Tribunalen niet kent, een recht tot het aanvragen ener zodanige herziening niet bestaat; Verklaart verzoeker in zijn aanvrage niet-ontvankelijk Gedaan en gewezen den achttienden October 1900 Negen en Veertig bij de Heren Fick, Vice-President, van der Meulen, Rombach, Vrij en van Berckel, Raden, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Reijers.
Volledig
ECLI:NL:HR:1949:107 text/xml public 2026-05-06T09:22:08 2018-07-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 1949-10-18 3338 Uitspraak Herziening NL Den Haag Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:1949:3 Rechtspraak.nl NJ 1950/4 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1949:107 text/html public 2026-04-09T14:21:51 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:1949:107 Hoge Raad , 18-10-1949 / 3338 Herziening van uitspraak van Tribunaal. Tijdens Duitse bezetting in tweede wereldoorlog vertrouwelijke omvang hebben met Duitse officier, art. 1 Tribunaalbesluit. Aangevoerd wordt dat in de voor bewijs gebruikte verklaringen van 3 getuigen omstandigheden zijn aangevoerd, die niet ter kennis van tribunaal zijn gebracht. Is herziening mogelijk van uitspraak van Tribunaal? Wetgever heeft noch in Tribunaalbesluit noch in tijdelijke wijziging van dit besluit het rechtsmiddel van herziening geschapen tegen uitspraken van Tribunaal. Wetgever moet dit desbewust hebben nagelaten, nu hij korte tijd daarvoor van uitspraken van Bijzondere Gerechtshoven en van Bijzonderen Raad van Cassatie herziening in art. 1 Besluit Buitengewone Rechtspleging uitdrukkelijk heeft ingevoerd en in art. 40-42 van dat besluit nader heeft geregeld. Voorts heeft wetgever in Tribunaalbesluit en in tijdelijke wijziging van dit besluit telkens bepaaldelijk aangewezen welke artikelen van WvSv van toepassing of van overeenkomstige toepassing zouden zijn maar daaronder art. van (herziening regelende) Titel VIII van Derde Boek van WvSv niet opgenomen. Wet overgang bijzondere rechtspleging, die o.m. herziening van laatstbedoelde uitspraken (van Bijzondere Gerechtshoven en van Bijzonderen Raad van Cassatie) aan gewijzigde regelen onderwierp, heeft desbewust herziening van eerstbedoelde uitspraken (van Tribunaal) doen blijven ontbreken. Bij totstandkoming van deze wet, in mondeling overleg tussen vaste Commissie voor Privaat- en Strafrecht uit Tweede Kamer en Minister van Justitie, is door Commissie aan Minister verzocht te overwegen “of mogelijkheid van herziening behoort te worden ingevoerd”. Toen Minister heeft verklaard “invoering van instituut van herziening niet nodig te achten”, werd door Commissie ingezien dat invoering “vrij uitvoerige regeling nodig zou maken, welke niet gemakkelijk in dit wetsontwerp zou kunnen worden opgenomen”. Daarna heeft Minister op overeenkomstige vraag in Voorlopig Verslag der Commissie van Rapporteurs uit Eerste Kamer wederom afwijzend geantwoord en medegedeeld dat volgens eenstemmig advies van Hoge Autoriteiten “in praktijk van behoefte aan herziening van tribunaaluitspraken haar niet in enig geval is gebleken. Wel bestaat behoefte aan vermindering van opgelegde maatregelen”, waarin evenwel door drietal regelingen was en (bij dit wetsontwerp nog) werd voorzien. Nu ons recht herziening van uitspraken van Tribunalen niet kent, bestaat recht tot het aanvragen van zodanige herziening niet. Aanvraag n-o. No.3338. Herziening. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN , beschikkende in raadkamer, op de aanvrage van [aanvrager] , koopman, geboren [geboortedatum] 1883 te [geboorteplaats] en wonende aldaar, om herziening van een uitspraak van het Tribunaal te Amsterdam van den twintigsten December 1947 - Waarop het "fiat executie" is verleend door de Hoge Autoriteit te Amsterdam den 24sten Februari 1948 - , waarbij hij er aan schuldig verklaard is, "dat hij, Nederlander zijnde, tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa vertrouwelijk omgang heeft gehad met een Duitse officier, genaamd [betrokkene 1] , die behoorde tot de militaire bezettende macht; op welke grond hij geacht moet worden zich desbewust te hebben gedragen in strijd met de belangen van het Nederlandse volk", voorts dit verklaard is te vallen onder artikel 1 van het Tribunaalbesluit en hem ter zake zijn opgelegd de maatregelen: 1. internering, waarbij in overweging gegeven wordt de tijdsduur daarvan te beperken tot den door hem vanaf 22 Juni - 13 Aug. 45 in vóór-internering doorgebrachten tijd; 2. ontzetting van het recht van kiezen en verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen; 3. verbeurdverklaring van al zijn van Overheidswege inbeslaggenomen goederen; met bepaling voorzoveel nodig dat het beheer van zijn vermogen een einde zal nemen binnen 3 maanden nadat de verbeurdverklaring zal zijn geeffectueerd en op deze uitspraak het "fiat executie" is verleend; Gezien de conclusie van den Advocaat-Generaal Langemeijer , namens den Procureur-Generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek; Gezien de stukken; Overwegende dat de aanvrage tot herziening van voor melde uitspraak ten aanzien van de daarin als bewijsmiddel gebezigde verklaringen van drie getuigen omstandigheden aanvoert, welke volgens zijn opgave niet ter kennis van het Tribunaal gebracht waren en ernstig vermoeden doen ontstaan dat, waren zij op de terechtzitting bekend geweest, het onderzoek geleid zou hebben tot verzoekers vrijspraak; dat die aanvrage ervan uitgaat, dat ons recht herziening van uitspraken van Tribunalen kent; dat echter de wetgever noch in het die uitspraken regelend Tribunaalbesluit (E 101) noch in de tijdelijke wijziging van dit besluit ( E 153) dat rechtsmiddel tegen die uitspraken geschapen heeft en zulks desbewust moet hebben nagelaten, nu hij korten tijd tevoren van de uitspraken van de Bijzondere Gerechtshoven en van den Bijzonderen Raad van Cassatie herziening in artikel 1 van het Besluit Buitengewone Rechtspleging (D 63) uitdrukkelijk ingevoerd en in de artikelen 40-42 nader geregeld had, en hij voorts, in E 101 en E 153 telkens bepaaldelijk aanwijzend, welke artikelen van het Wetboek van Strafvordering van toepassing of van overeenkomstige toepassing zouden zijn, daaronder artikelen van den de herziening regelenden Titel VIII van het Derde Boek van dat Wetboek niet heeft opgenomen; dat de Wet overgang bijzondere rechtspleging (Wet van 13 Mei 1948,Staatsblad I 186), die onder meer de herziening van laatstbedoelde uitspraken aan gewijzigde regelen onderwierp, desbewust de herziening van eerstbedoelde uitspraken heeft doen blijven ontbreken; dat toch bij de totstandkoming dezer wet, in het mondeling overleg tussen de vaste Commissie voor Privaat- en Strafrecht uit de Tweede Kamer en den Minister van Justitie, door de Commissie aan den Minister verzocht werd te overwegen "of de mogelijkheid van herziening behoort te worden ingevoerd", doch, toen de Minister verklaarde "invoering van het instituut der herziening niet nodig te achten " , door haar werd ingezien dat invoering "een vrij uitvoerige regeling nodig zou maken, welke niet gemakkelijk in dit wetsontwerp zou kunnen worden opgenomen", waarna de Minister op een overeenkomstige vraag in het Voorlopig Verslag der Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer wederom afwijzend antwoordde, mededelend dat volgens het eenstemmig advies van de Hoge Autoriteiten "in de practijk van de behoefte aan herziening van tribunaaluitspraken haar niet in enig geval is gebleken. Wel bestaat de behoefte aan vermindering van de opgelegde maatregelen", waarin evenwel door een drietal regelingen was en, bij dit wetsontwerp, nog" werd voorzien; dat, nu derhalve ons recht de herziening van uitspraken Van Tribunalen niet kent, een recht tot het aanvragen ener zodanige herziening niet bestaat; Verklaart verzoeker in zijn aanvrage niet-ontvankelijk Gedaan en gewezen den achttienden October 1900 Negen en Veertig bij de Heren Fick, Vice-President, van der Meulen, Rombach, Vrij en van Berckel, Raden, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Reijers.