Rechtspraak Hoge Raad 1939-03-16
ECLI:NL:HR:1939:AG1906
De Hooge Raad der Nederlanden , in de zaak (no. 7424) van: [eiser] , wonende te [woonplaats] , eischer tot cassatie van het tusschen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 April 1938, kosteloos procedeerende krachtens beschikking van den Hoogen Raad van 8 Juli 1938, vertegenwoordigd door Mr. F.M. Westerouen van Meeteren, advocaat bij den Hoogen Raad; tegen: de N.V. Industrie- en Handelmaatschappij [verweerster] , gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. L.J. van Gelein Vitringa, advocaat bij den Hoogen Raad; Partijen gehoord; Gehoord den Advocaat-Generaal Wijnveldt , namens den Procureur-Generaal, in zijn conclusie, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest, terugwijzing der zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ten einde met inachtneming van ’s Hoogen Raads arrest verder te worden berecht en afgedaan en tot veroordeeling van verweerster in de kosten der procedure; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest, voor zoover in cassatie van belang, blijkt: dat eischer bij inleidende dagvaarding heeft gesteld, dat hij bij schriftelijk contract van 14 Februari 1935 aan verweerster — [verweerster] — heeft verkocht alle rechten, voortvloeiende uit een door hem — [eiser] — uitgevonden rijwielzadel, waarvan het model en de teekeningen aan [verweerster] zijn ter hand gesteld; dat bij dezen koop onder meer is bedongen, dat [eiser] zou ontvangen 7½ cent van elk zadel, dat, volgens het bij het koopcontract omschreven principe vervaardigd, verkocht is; dat [verweerster], eenmaal in het bezit van [eiser]'s uitvinding, het bedoelde zadel opzettelijk bedriegelijk is gaan namaken en nabootsen en [eiser]'s uitvindingsgedachte en denkbeelden is gaan verwerken en toepassen in een zweefzadel, dat door [verweerster] in den handel is gebracht onder den naam ‘’[verweerster] 1936’’; dat in dit zadel de principes, waarop [eiser]'s uitvinding berust, zijn terug te vinden; dat het [verweerster] er klaarblijkelijk om te doen is geweest, en nog is, zich op een gemakkelijke wijze aan haar contractueele verplichtingen jegens [eiser] te onttrekken en om hem met hoegenaamd niets af te schepen en zij er dan ook niet aan denkt, om hem bij verkoop van elk exemplaar der zadels ‘’[verweerster] 1936’’ een bedrag van 7½ cent af te staan; dat [verweerster] zich op bovenstaande gronden, tegenover [eiser] aan een onrechtmatige daad heeft schuldig gemaakt en het aan [verweerster]'s opzet, althans schuld, te wijten is dat [eiser] schade heeft geleden, welke schade [verweerster] zal moeten vergoeden; dat die schade bedraagt ƒ. 4500, subsidiair zal moeten worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet; dat de Rechtbank te Utrecht, na bij tusschenvonnis van 15 October 1936 getuigenbewijs aan [eiser] te hebben opgedragen betreffende de grondslagen, waarop zijn uitvinding zou berusten, bij haar vonnis van 17 December 1936 heeft geoordeeld, dat [eiser] in het hem opgelegde bewijs was geslaagd en vervolgens, ter bepaling van de geleden schade, een deskundigen-onderzoek en openlegging van boeken heeft gelast; dat bij dit laatste vonnis de Rechtbank allereerst eenige overwegingen heeft gewijd aan de ontvankelijkheid der vordering, welke overwegingen luiden: ‘’dat [verweerster] alsnog de niet-ontvankelijkheid der vordering, ‘’voor zoover op de overeengekomen betaling van 7½ cent per zadel berustende, heeft verdedigd op grond, dat [eiser] ageert uit onrechtmatige daad, waarvan echter geen sprake kan zijn…’’ ‘’dat echter, al moge [eiser] voor zijn vordering onjuiste qualificaties gebruikt hebben, uit de bij dagvaarding gestelde feiten volgt, dat [verweerster] wanpraestatie pleegde door niet 7½ cent voor elk zadel [verweerster] 1936 aan [eiser] te vergoeden, ter zake van welke wanpraestatie [eiser] vergoeding der daardoor veroorzaakte schade mocht vorderen’’; dat [verweerster] tegen deze beide tusschenvonnissen hooger beroep heeft ingesteld en het Hof, na het beroep tegen het eerste